|
Natura is het verenigingstijdschrift van de vereniging voor veldbiologie Tekstversie van artikel in Natura 2005/2, 23 februari 2005 Joop Smittenberg: Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea): Waardevolle plant of sluipmoordenaar? De krantenkoppen liegen er niet om: “Jakobskruiskruid eist steeds meer slachtoffers onder vee”, “Jakobskruiskruid, een sluipmoordenaar”, “Overheid moet jakobskruiskruid bestrijden”. Wat is er aan de hand? Jakobskruiskruid is een fraai bloeiende plantensoort in bermen, tuinen en natuurontwikkelingsprojecten. Het breidt zich de laatste jaren sterk uit. De plant is giftig voor landbouwhuisdieren. Problemen treden vooral op in de paardenhouderij en bij de afzet van natuurhooi. De roep om overheidsmaatregelen neemt toe. Reden genoeg om deze soort eens nader onder de loep te nemen. Verspreiding Jakobskruiskruid (Senecio jacobaea) is een wilde Europese plantensoort van de composietenfamilie (Asteraceae), die tot een meter hoog kan worden en rijkelijk bloeit met fel gele lintbloemen. In de duinen komt een vorm voor zonder lintbloemen, die als subspecies dunensis wordt aangeduid en er op het eerste gezicht heel anders uitziet (Weeda, 1991). Vanouds is de soort tamelijk algemeen op matig voedselrijke, zandige gronden in het zuiden en westen van het land. In het noorden en oosten was hij tot omstreeks 1980 tamelijk zeldzaam (Van der Meijden e.a. 1989). Sindsdien zien we juist daar een spectaculaire toename. Bij de vegetatiekartering van Drenthe werden in de jaren ’70 slechts enkele exemplaren gemeld langs schelpenpaadjes. Tussen 1970 en 1996 is de soort al aangetroffen in 154 km-hokken (WFD, 1999). Daarna is dit toegenomen tot een totaal van 688 km-hokken in 2004 (basisbestand WFD/provincie Drenthe). De toename is enerzijds veroorzaakt door uitzaai met weidebloemenmengsels in waterwingebieden en in mindere mate in bermen, plantsoenen en particuliere tuinen. Anderzijds hebben we waarschijnlijk te maken met een natuurlijk proces in samenhang met geschiktere vestigingsfactoren en klimaatverandering. Het lijkt erop dat jakobskruiskruid de laatste jaren niet alleen in Nederland, maar in heel West Europa is toegenomen. Het is een algemene plant geworden van bermen en braakliggende terreinen, die soms zeer massaal kan optreden. Verwante soorten Het geslacht kruiskruid (Senecio) kent in Nederland 12 soorten. Het tuin- en akkerkruid klein kruiskruid (Senecio vulgaris), is de meest algemene soort. Een andere verwante soort is de moerasandijvie (Senecio congestus, tegenwoordig afgesplitst als Tephroseris palustris). Deze wist zich na de inpoldering van Oostelijk Flevoland, in de jaren ’50 en ’60, massaal te vestigen. Door de enorme zaadproductie die daarvan het gevolg was, verscheen hij de daaropvolgende jaren op allerlei plaatsen langs waterkanten, soms op grote afstand van de bronpopulatie. Nu is moerasandijvie buiten de IJsselmeerpolders weer een tamelijk zeldzame soort geworden. Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens) komt oorspronkelijk uit Zuid-Afrika. Het is nog tamelijk nieuw in Nederland, maar vertoont de laatste jaren een snelle opmars, vooral langs spoorwegen en autosnelwegen. Soorten die het meest op jakobskruiskruid lijken zijn waterkruiskruid (Senecio aquaticus) en viltig kruiskruid (Senecio erucifolius). Waterkruiskruid groeit vooral op natte, venige grond in laagveengebieden en beekdalen. Viltig kruiskruid heeft een voorkeur voor kalkhoudende, lichte kleigrond en komt vooral voor in het rivierengebied en het zeekleigebied van Zuidwest Nederland. Tabel 1 geeft enkele vegetatieve verschillen tussen deze soorten. Tabel 1. Vegetatieve verschillen tussen drie soorten kruiskruid
| | Jakobskruiskruid Senecio jacobaea | waterkruiskruid Senecio aquaticus | viltig kruiskruid Senecio erucifolius | | groeivorm | 2-jarig (rozet), na de bloei afstervend | 1-jarig of 2-jarig (rozet), na de bloei afstervend | vast (wortelstok) met ook niet-bloeiende spruiten | | stengel | soms roodpaars, weinig behaard | groen, kaal | grijsgroen door beharing | | bladvorm | veerdelig tot dubbel geveerd | veerspletig tot –delig met brede eindslip | onderste bladen met grote eindslip, hogere bladen regelmatig veerdelig tot dubbel geveerd, | | bladkleur | van boven donkergroen, van onderen bleekgroen | glanzend groen | van boven donkergroen, van onderen grijsgroen met opvallend omgeslagen bladrand | | beharing | jonge bladen behaard, later vrijwel kaal | vrijwel kaal | vooral de bladonderzijde blijvend viltig behaard |
Levenscyclus Jakobskruiskruid is tweejarig. Het zaad kiemt in de nazomer en herfst. Er wordt direct een sterk wortelstelsel gevormd en soms ook al een stevige rozet. Toch kan er in de winter bij vorst en droogte veel sterfte optreden, die deels gecompenseerd wordt door een tweede kiemingsgolf (Weeda, 1991). In het voorjaar groeit het rozet verder uit. Het bestaat uit een korte scheve wortelstok met een krans van sterk ingesneden bladeren, waardoor de aangrenzende vegetatie wordt platgedrukt, zoals dat ook bij andere rozetplanten gebeurt (bijvoorbeeld paardebloem, speerdistel, teunisbloem, toorts). Eind mei, begin juni groeit vanuit het rozet een bloeistengel (soms meerdere) omhoog, die zich boven het midden gaat vertakken. Eind juni, begin juli verschijnen de eerste bloemen. Grote planten worden tot een meter hoog en dragen dan tientallen samengestelde bloemen (hoofdjes). Het zaad rijpt van eind juli tot eind augustus. Bij laat gekiemde en/of uitgegroeide planten kunnen bloei en zaadzetting doorgaan tot in oktober. Elk zaadje draagt een krans lange haren waardoor het met de wind kan worden meegevoerd. De meeste zaden vallen dichtbij de moederplant op de grond, maar bij sterke wind (turbulentie) kunnen zaden enkele tientallen tot honderden meters meegevoerd worden. Het aantal zaden per plant is zo groot (van enkele honderden tot enkele duizenden) dat er ook kans is op verspreiding over grotere afstanden. Na rijping van het zaad sterft de moederplant af. Afgemaaide of afgegeten planten lopen echter opnieuw uit of vormen rozetten voor een volgend jaar. Ecologie Het zaad kan dezelfde zomer alweer kiemen. Om te kiemen en uit te groeien heeft het open, niet al te zure, zandige plekken nodig. Massaal optreden gebeurt vooral op plaatsen waar de bodem verstoord is, zoals in nieuw aangelegde bermen, afgegraven natuurontwikkelingsgebieden en braakliggende akkers, maar ook in extensief beheerde weilanden (paardenweiden). Bij intensief agrarisch gebruik (gesloten grasmat of jaarlijks ploegen) krijgen de planten geen kans. De niet gekiemde zaden blijven 5 tot 10 jaar kiemkrachtig in afwachting van gunstiger omstandigheden. De bloemen worden veel bezocht door insecten. In overzichten van aantrekkelijke plantensoorten voor bijen en andere insecten wordt jakobskruidkruid vaak genoemd. Bij een onderzoek in Drenthe werd gevonden dat bijna de helft van de bezoekers zweefvliegen waren en ongeveer éénderde solitaire bijen (F. Hoffmann, in voorbereiding). Voor Engeland wordt opgegeven dat tenminste 177 soorten insecten jakobskruiskruid gebruiken als bron voor nectar of pollen. Tenminste 77 soorten leven van de plant zelf (English Nature, 2003). Het meest bekend is de zebrarups van de sint-jakobsvlinder (Tyria jacobaea), maar er zijn meer vlindersoorten en ook kevers, wantsen en bladluizen die de plant eten. Giftigheid Bijna alle kruiskruidsoorten bevatten giftige pyrrolizidine alkaloiden. Jakobskruiskruid is het best onderzocht. Daarin zijn tenminste 12 van deze stoffen aangetroffen (Vrieling et all 1993, in: Van Genderen et al. 2003). De gifstoffen komen voor in de gehele plant, maar in sterkere concentratie in de bloeistengels, vooral kort voor de bloei. Behalve bij kruiskruiden komen giftige pyrrolizidine alkaloiden in Nederland onder meer ook voor bij klein hoefblad (Tussilago farfara) en smeerwortel (Symphytum officinale). De pyrrolizidine alkaloiden zijn vooral giftig voor paarden en runderen. Het gevaar zit niet zozeer in de levende plant (die meestal niet wordt gegeten) maar vooral in de gedroogde planten in hooi, kuilvoer of droogvoer (brok). Afgemaaide of droog afgestorven planten op het land vormen ook een risico, omdat ze hun kenmerkende geur verliezen en dan wel worden gegeten. Bij drogen zijn de stoffen persistent, maar bij rotting (compostering) worden ze door bacteriën en schimmels afgebroken. Beperkte fermentatie in kuilvoer leidt niet of onvoldoende tot afbraak. Incidenten Gevallen van acute vergiftiging en sterfte zijn zeldzaam. In Drenthe is veel ophef ontstaan over een veehouder waar 239 zoogkoeien zijn gestorven door het eten van hooi met jakobskruiskruid. Ook in Brabant is een dergelijk incident gemeld. Acuut vergiftigde paarden en runderen sterven aan ontstekingen van de lever (cirrose, fibrose) en het maagdarmkanaal. Als letale dosis wordt opgegeven: 50 tot 200 gram gedroogd jakobskruiskruid per kg lichaamsgewicht (CliniTox, Zwitserland). Veel bedreigender is de langdurige opname van lage concentraties gifstoffen. In de lever worden die stoffen wel opgenomen uit het bloed, maar nauwelijks afgebroken. Na jarenlange ophoping kan uiteindelijk een ziekmakende of letale dosis bereikt worden. De Gezondheidsdienst voor dieren geeft als norm dat meer dan 2% jakobskruiskruid in de droge stof dodelijk is en meer dan 1% op de lange termijn ernstige leverschade veroorzaakt (GD, 2003). Vooral paarden zijn gevoelig, onder meer omdat zij relatief oud worden. Bovendien worden juist paarden vaak gevoerd met hooi van extensief beheerde graslanden (behoefte aan veel vezels). Paardenhouders zijn dan ook het meest ongerust over de toename van jakobskruiskruid. Geiten en schapen zijn minder gevoelig. Vooral jonge planten worden door schapen wel gegeten. Zij lijken het jakobskruiskruid te kunnen ontgiften in de pens voordat het herkauwd wordt. Van konijnen is bekend dat ze het rozet afbijten en dan het bovenste deel van de wortel opeten (Van der Meijden 1974, in: Van Genderen et al. 2003). Handschoenen De insecten die op jakobskruiskruid leven zijn zelf bestand tegen de alkaloïden. Dat geldt ook voor lieveheersbeestjes, die bladluizen op jakobskruiskruid eten. Ze nemen de stoffen wel op en worden daardoor giftig voor vogels en andere predatoren. Van vergiftiging bij mensen zijn in West Europa geen meldingen bekend. Opname van de gifstoffen door een onbeschadigde huid is niet waarschijnlijk, maar bij het met de hand uitrukken van planten wordt gebruik van handschoenen aangeraden om elk risico te vermijden. De nectar bevat waarschijnlijk geen gifstoffen, de stuifmeelkorrels waarschijnlijk wel. Berichten over giftige honing komen echter niet uit West Europa, maar uit Afrika en Rusland (WHO, 1988). Het gaat dan om gebieden waar honingbijen vliegen op een (andere) plantensoort met alkaloïden, die over grote oppervlakten voorkomt terwijl er weinig alternatieven zijn. Beheer in graslanden Jakobskruiskruid is in Nederland een gewone, inheemse, West-Europese plantensoort. Hij neemt, ecologisch gezien, een waardevolle plaats in. Diverse insecten zijn gespecialiseerd op deze plant of verwante soorten. Het is niet wenselijk, niet nodig en waarschijnlijk ook niet mogelijk om de plant overal te bestrijden of zelfs uit te roeien. Echter, niet alleen paarden- en veehouders, maar ook natuurbeheerders hebben een probleem als jakobskruiskruid veelvuldig voorkomt in hun graslanden. Gebruik van het gras voor veevoederwinning (hooi, grasdrogerij) is dan niet mogelijk en begrazen levert voor het vee gezondheidsrisico’s op. Vanuit dierenwelzijn en uit kostenoverwegingen is het belangrijk om in die situaties massaal voorkomen van jakobskruiskruid tegen te gaan. Wat zijn dan de mogelijkheden? Maaibeheer Bij extensieve beweiding zullen de planten blijven staan, zaadzetten en zich vermenigvuldigen. Met de hand uittrekken is bij enkele planten wel mogelijk, maar als het er duizenden zijn is dat te kostbaar en arbeidsintensief. Bestrijding met chemische middelen is weinig selectief, belast het milieu en brengt grote ecologische schade toe. Het meest effectief lijkt maaien en afvoeren (composteren!) aan het begin van de bloei (eind juni - begin juli). Zaadzetting wordt zo voorkomen. De planten lopen dan wel weer uit, waardoor een tweede keer maaien noodzakelijk kan zijn (afhankelijk van de zomer, omstreeks eind augustus). Als een deze aanpak gedurende enkele jaren wordt volgehouden, wordt vermenigvuldiging voorkomen en raakt de zaadbank geleidelijk uitgeput (er zijn geen wortelstokken, zoals bij akkerdistels). Terugkeer naar extensieve beweiding is echter niet verstandig. Om de aantallen jakobskruiskruid op een aanvaardbaar niveau te houden zijn er globaal drie mogelijkheden: - Intensief graslandbeheer met bemesten en twee tot drie maal per jaar maaien en wisselbeweiding. - Permanent hooilandbeheer met één of twee maal per jaar maaien zonder beweiding of met nabeweiding uitsluitend door schapen. - Sterk verschralen en laten verzuren tot een heideachtige vegetatie met uiteindelijk een heidebeheer. Wel of geen verordening? In wegbermen en op braakland kan het optreden van jakobskruiskruid op zichzelf weinig kwaad zolang maaisel wordt gecomposteerd of ondergeploegd. In natuurontwikkelingsgebieden, waar heide wordt nagestreefd zal jakobskruiskruid op den duur vanzelf verdwijnen door verzuring van de bodem. Toch kan ook in deze situaties het beperken van de zaadproductie gewenst zijn. Immers, net als bij distels kan massale zaadverspreiding overlast veroorzaken bij de buren. Anders dan bij de akkerdistel is er hier sprake van een giftige plantensoort, waardoor de emoties extra hoog oplopen. Vooral vanuit de paardenhouderij worden de bermen en natuurontwikkelingsgebieden als boosdoener gezien. Het inzaaien en natuurvriendelijk beheer zouden de veroorzakers zijn van de overlast. De diverse overheden worden onder druk gezet om maatregelen te nemen. Daarbij wordt verwezen naar Engeland, waar jakobskruiskruid sinds 1959 is opgenomen in een wet tegen de verspreiding van schadelijke onkruiden. In Friesland is voorgesteld om jakobskruiskruid op te nemen in de provinciale distelverordening. In de Nederlandse situatie is een eventuele wettelijke verplichting tot bestrijding van jakobskruiskruid niet meer van deze tijd. De controle daarop is lastig en kostbaar. Bovendien moet er wel een redelijke verhouding zijn tussen particuliere belangen en maatschappelijke kosten. Wel wordt door provincies, gemeenten, waterschappen en natuurbeheerders voorlichting gegeven en wordt door lokaal ingrijpen getracht om overlast te voorkomen. Door extra maaien wordt de zaadproductie tegengegaan. Extra maaien kost echter geld, dus dat gebeurt alleen op plaatsen waar jakobskruiskruid massaal voorkomt in de directe nabijheid van agrarisch grasland. In Engeland wordt daarvoor als richtlijn een afstand van 50 tot 100 meter gehanteerd (DEFRA, 2004). Conclusies Onder het motto: verstandig omgaan met jakobskruiskruid, wordt voorlichting gegeven aan iedereen die werkzaam is in het buitengebied. Zaadfirma’s nemen de soort inmiddels niet meer op in hun weidebloemenmengsels. Paarden- en veehouders, veeartsen en loonwerkers zijn via diverse kanalen gewaarschuwd. Grasdrogerijen accepteren geen gras meer met jakobskruiskruid. Particuliere tuinbezitters en/of natuurkenners kunnen ook hun bijdrage leveren aan een beter begrip en een juiste aanpak van het probleem. In een tuin in de woonbebouwing kan jakobskruiskruid weinig kwaad. Op het platteland is een goede soortherkenning natuurlijk een eerste vereiste. Daar kan een KNNV-er goed bij helpen. Hebt u buren met paarden of rundvee, dan is het verstandig om verspreiding vanuit uw tuin tegen te gaan. Zorg dan dat de meeste kruiskruidplanten in uw tuin vóór de zaadzetting worden afgeknipt of uitgetrokken. Houd er een paar over op een beschutte plaats, om toch ieder jaar weer te kunnen genieten van de mooie bloemen en de vele bloembezoekende insecten! Literatuur (* = informatie van internetsite) CLINITOX GIFTPLANTZEN (2004), Senecio jacobaea – Sektionsbefunde. Inst. für Veterinärpharmakologie und –toxicology, Zürich*. DEFRA, DEPARTMENT FOR ENVIRONMENT FOOD AND RURAL AFFAIRS (2004), Code of Practice on how to prevent the spread of Ragwort*. ENGLISH NATURE (2003), Common ragwort, Senecio Jacobaea, Information note*. VAN DER MEIJDEN, R., C.L. PLATE & E.J. WEEDA (1989), Atlas van de Nederlandse flora 3, minder zeldzame en algemene soorten. Rijksherbarium, Leiden. GD, GEZONDHEIDSDIENST VOOR DIEREN (2003): Jacobskruiskruid steekt de kop weer op, GD- nieuws Runderen, 7 augustus*. VAN GENDEREN, H., L.M. SCHOONHOVEN & A. FUCHS (2003), Chemisch-ecologische flora van Nederland en België. KNNV Uitgeverij, Utrecht. WEEDA, E.J., c.s. (1991), Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties 4. VARA/VEWIN. WFD, WERKGROEP FLORAKARTERING DRENTHE (1999), Atlas van de Drentse Flora. Schuijt en Co, Haarlem. WHO, WORLD HEALTH ORGANISATION (1988), Environmental health criteria 80: Pyrrolizidine alkaloids. International programme on chemical safety, Geneva*. Joop C. Smittenberg is ecoloog bij de provincie Drenthe. Adres: Anreperstraat 202, 9404 LK Assen e-mail:
Dit e-mail adres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
|