Categoriearchief: Achtergrondinformatie

Reclamecodecommissie

De Engelse reclamecodecommissie tikt organisaties op de vingers wegens misleidende informatie over Jakobskruiskruid.

Monsanto, Barrier Biotech Ltd., Ragfork, The British Horse Society en het bestuur van het graafschap Warwickshire zijn door de ASA op de vingers getikt omdat zij op hun website en in brochures onjuiste en misleidende informatie over Jakobskruiskruid geven. Jakobskruiskruid is een wilde plant die voorkomt in Groot Brittannië en die een belangrijke rol speelt in het natuurbehoud. Alle betrokken organisaties hebben beloofd de onjuiste informatie te verwijderen. Die informatie bevat een zwaar overdreven sterftecijfer onder paarden als gevolg van Jakobskruiskruid vergiftiging of deze organisaties beweren dat landeigenaren wettelijk verplicht zijn het Jakobskruiskruid te bestrijden.

Woensdag 29 juni 2011

Reclame codes worden vastgelegd door de Advertising Standards Authority (Reclame Code Commissie) om te waarborgen dat advertenties en reclame wettig, fatsoenlijk en betrouwbaar zijn.

Monsanto, een landbouw bedrijf dat een reeks bestrijdingsmiddelen voor Jakobskruiskruid verkoopt, gaf op zijn website foutieve informatie als zouden landeigenaren wettelijk verplicht zijn om Jakobskruiskruid te bestrijden en te voorkomen dat het zich vanaf hun land uitbreidt. Dat is niet correct. Hoewel het voor kan komen dat een landeigenaar de groei van Jakobskruiskruid moet beperken omdat er een reëel risico is voor het vee, en de eigenaar niet heeft voldaan aan de door de overheid vastgelegde Ragwort Code, maar het is geen automatische wettelijke verplichting.

DEFRA (Department of environment, Food and Rural Affair, ong.: ministerie van milieu) verklaart dat de gedragscode niet bedoeld is om Jakobskruiskruid uit te roeien. Jakobskruiskruid, als inheemse plant, is heel belangrijk voor de natuur in het Verenigd Koninkrijk. De plant is van belang voor een groot aantal ongewervelde dieren en een belangrijke bron van nectar voor veel insecten.

De British Horse Society and het graafschap Warwickshire hebben ook een waarschuwing gekregen omdat zij een misleidende brochure promoten, die ook op de website van het graafschap staat, en waarin wordt gesteld dat men als landeigenaar in overtreding is wanneer men Jakobskruiskruid de kans geeft zich te verspreiden.

Ragfork, een bedrijf dat een stuk gereedschap, speciaal voor het verwijderen van Jakobskruiskruid verkoopt, beweerde dat er in het Verenigd Koninkrijk als gevolg van Jakobskruiskruidvergiftigingen jaarlijks 6.500 paarden en pony’s sterven. Zij gaven toe dat er geen bewijs is voor deze stelling en hebben de informatie van hun website verwijderd. In werkelijkheid zijn de sterftecijfers zo laag, dat de overheid ze niet eens meer registreert. De Britse cijfers over 2005 maken melding van slechts 13 gevallen.

Matt Shardlow, Buglife Chief Executive (voorzitter van Buglife, een Britse natuurorganisatie) zegt dat tenminste 30 insectensoorten volledig afhankelijk zijn van Jakobskruiskruid, en ongeveer een derde van die soorten is zeldzaam of zeer zeldzaam. Ook als bron van nectar en pollen is Jakobskruiskruid onmisbaar voor honderden soorten vlinders, bijen, motten, kevers en vliegen. Daardoor draagt Jakobskruiskruid bij tot het behoud van onze toch al aangetaste biodiversiteit.

Hoewel het in grote hoeveelheden inderdaad schadelijk kan zijn voor paarden, wordt het voornaamste risico gevormd door gedroogd kruiskruid dat illegaal in hooi verkocht wordt. Op dit risico zouden we onze aandacht moeten richten, i.p.v. het land met nog meer pesticiden te besproeien of het Jakobskruiskruid uit de bermen te rukken.

Neil Jones, lid van de Buglife and Swansea Friends of the Earth, die het onderwerp heeft aangekaart bij de ASA zegt: “Jakobskruiskruid is het onderwerp van een ware hetze, gebaseerd op fabels die vrijwel dagelijks overal op internet en in de pers herhaald worden. Bovendien worden er in het wilde weg gespeculeerd dat het Jakobskruiskruid zich ieder jaar verder uitbreidt. Ik ben verheugd dat sommige van deze organisaties die deze onwaarheden verspreiden nu ter verantwoording worden geroepen.”

Matt Shardlow, de voorzitter van Buglife, zegt: “Er bestaan nog steeds veel websites en brochures die misleidende informatie over Jakobskruiskruid bevatten. U kunt bijdragen aan het bevorderen van wettige, eerlijke en betrouwbare informatie over deze wilde plant, door deze websites te benaderen en ze te attenderen op de Ragwort Code van de overheid, of de pagina’s over Jakobskruiskruid op de website van Buglife”.

Het originele Engelstalige artikel op Buglife. Advertising Standards Authority crack down on misleading information about Ragwort – a British wildflower

Defra Code of practice on How to prevent the Spread of Ragwort

Handleiding planten drogen en verzamelen

Noteer gegevens die de vondst documenteren:
1) Beschrijft zo duidelijk en precies mogelijk waar de plant gevonden is: Provincie, dorp/stad, straatnaam, evt. huisnummer of een andere aanduiding van de precieze plek. Bijvoorbeeld: Gelderland, Wijchen, Zesweg, in weiland c. 100 meter ten noorden van de splitsing met de Industrieweg.
2) Beschrijf de standplaats van de plant. Staat hij bijv. in een wegberm of een weiland, hoe ziet de vegetatie er uit waarin de plant groeit. Maak bij voorkeur ook foto’s van de plant en zijn directe omgeving.
3) Noteer de datum van verzamelen
4) Noteer je naam en adres

Verzamel de plant:
1) Verwijder de plant met wortel en al.
2) Spreid de plant uit op een krant. Als de plant groter is dan de pagina van de krant, knip de plant dan in stukken.
3) Vouw de krant voorzichtig dicht en plaats de krant die de plant bevat tussen twee stukken karton.
4) Leg vervolgens een stoeptegel of iets anders zwaars op het karton zodat de plant geplet wordt.
5) Laat deze ‘plantenpers’ enkele dagen liggen op een bij voorkeur warme, maar in ieder geval droge omgeving.
6) Als de plant gedroogd is, kan je hem opsturen naar:

Secretariaat Jakobskruiskruid Feiten en Fabels


Hoefbevangenheid (Laminitis)

Door Esther Hegt 2006

De Engelse term laminitis is een goede term voor de aandoening die in het Nederlands bekend staat onder de naam hoefbevangenheid (HB). De laminae, dwz. de verschillende lamellen waaruit de hoefwand is opgebouwd, zijn ontstoken, ongeacht de oorzaak.
Samen met het geproduceerde hoorn vormen deze laminae de hoefschoen. Deze hoefschoen heeft een groot aantal functies, zoals schokabsorptie en bescherming van onderliggende structuren (hoefbeen, straalbeen, straalbeenbeurs, hoefgewricht en aanhechting van de diepe buigpees). Bij laminitis is een verstoring van de anatomisch complexe verbinding tussen hoefwand en hoefbeen op het niveau van de laminae opgetreden, wat in een ernstige kreupelheid resulteert. Doordat het hoefbeen als het ware in de hoefschoen zinkt of zelfs kantelen kan, gaat het paard te veel gewicht nemen op de gevoelige punt of op de zoolvlakte van het hoefbeen. Beide structuren zijn eigenlijk niet bedoeld als gewichtsdrager.
Het is daarom te begrijpen dat HB in het algemeen een extreem pijnlijke aandoening van de voeten van een paard is. In principe kan ieder paard het krijgen, maar vooral lijken pony’s gevoelig. Er zijn vele oorzaken voor HB, één daarvan ziet men vaak in het voorjaar en in de zomermaanden (1).

HB kan van een acute kreupelheid aan een of meerdere voeten overgaan in een chronische kreupelheid met irreversibele schade aan de hoefstructuur.
Het is een aandoening die mogelijk een gevolg is van de domesticatie van het paard. Risicofactoren zijn krachtvoer en gestressed gras (oa. door de fructanen). Vroeger was er bij zware trekpaarden ook een mechanische overbelasting van de voet bekend, door lange tochten op harde bodem, tegenwoordig wordt HB eerder opgewekt door voeding. De nieuwste theorieen proberen een overeenkomst met diabetes van dikke mensen vast te stellen. De mogelijke ontsteking van de lamellen zou veroorzaakt worden door in het verloop van diabetes optredende vaatwandontstekingen.

Sinds de oertijd worden de overlevingsstrategien van het paard steeds minder aangesproken , hoewel nog steeds bepaalde stofwisselingsprocessen van langgeleden actief zijn.. Paarden n.l. zijn toegerust met een spijsverteringsstelsel dat hen in staat stelt om te overleven op een seizoensgebonden variabel voedselaanbod. Modern management heeft de periodes van seizoensgebonden hongerlijden doen verdwijnen, en heeft hierdoor geleid tot vetzucht en predispositie voor een veelheid aan metabole aandoeningen, waaronder hoefbevangenheid (2). Daarom is HB min of meer een welvaartsziekte. Overigens zijn er ook andere en beter begrijpbare factoren die HB veroorzaken, zoals de vergiftiging die ontstaat als de nageboorte niet van een merrie afkomt. Ook bij koliek met ernstige darmschade of bij bepaalde vergiftigingen treedt HB op.

Klinische symptomen.

Acute tekenen van HB zijn meestal te zien 24-72 uur na het begin van het ziekteproces, met name door een kortdurend toxisch insult, zoals bv. na het eten van een grote hoeveelheid graan, of bij ernstige koliek, die met darmafsluiting gepaard gaat. Bij alle patienten in de acute fase wordt een duidelijk kloppen van de bloedvaten in de kootholte waargenomen, soms zelf tot op de kogel. De voeten zijn overduidelijk te warm en het paard staat vaak met naar voren gestrekte voorbenen. De dierenarts kan gevoeligheid vaststellen bij het testen met de hoeftang, vooral vlak voor de punt van de straal. Door de pijn willen de patienten graag liggen, en in de acute fase moet men dat ook niet tegengaan.
Bij chronische HB varieert de kreupelheid van een min of meer stijve gang tot een totale weerzin tegen bewegen. Afhankelijk van de duur van de aandoening zijn er paarden met normale voeten of afwijkende voeten. Als de verbinding tussen hoefwand en hoefbeen losgelaten heeft, bestaat de mogelijkheid dat het hoefbeen gekanteld is, en daardoor met zijn punt op de zool drukt.
Naarmate de chronische HB langer bestaat, zijn er op de hoef groeiringen te zien, die niet evenwijdig aan elkaar lopen, maar door verschil in groeisnelheid van de hoorn in de hiel t.o.v. de teen, naar beneden toe divergeren. Van opzij gezien krijgt de voorkant van de hoef een opvallende holle vorm. Bij aantasting van de voorvoeten zal het paard , om de pijnlijke voorvoeten te ontlasten, de achterbenen ver onder het lichaam plaatsen, en de voorbenen gestrekt vooruit om belasting van de voeten zoveel mogelijk te vermijden. Hoefbevangen paarden liggen veel, zeker als alle vier de voeten in het proces betrokken zijn. Bij onderzoek van de zool kan er een uitstulping van de hoeflederhuid door de zool te vinden zijn voor de punt van de straal, en als gevolg daarvan vaak abcessen die de hele zool ondermijnen. Verder is er een verbrede witte lijn te zien. (3)

Behandeling is gericht op pijnvrijheid en het bevorderen van voeten die er normaal uitzien en ook als zodanig kunnen functioneren. (4)
Zoals duidelijk moet zijn is vookomen het allerbeste. Dus voeding en arbeid moeten op elkaar afgestemd zijn. Vetzucht mag niet ontstaan en oude paarden met Cushing moeten behandeld worden omdat vooral deze dieren reeds een gestoorde suikerstofwisseling hebben en daardoor een kans van 1 op 3 lopen om HB te ontwikkelen.
Bij acute HB moet zeer actief door de dierenarts gehandeld worden om de schade zoveel mogelijk binnen de perken te houden. Sterke pijnstillers behoren daarbij tot het standaardpakket, vooral ook om hun ontstekingsremmend effect. Voortvarende en kundige hoefzorg is van essentieel belang. Moet men wachten op de dierenarts dan zijn de hoeven met koud water af te koelen. Nog beter is om het paard op nat zand of in de diepe modder te zetten. HB is een ernstige zaak en moet zo snel mogelijk kundig behandeld worden om ergere schade te voorkomen.

Referenties:

(1) Hinckley, K.A. and Henderson, I.W.(1996) The epidemiology of equine
laminitis in the U.K. In : Proceedings of the 35th Annual Congress of
British Veterinary Association, Equine Veterinary Journal Ltd, Newmarket. P 62
(2) Johnson, P.J., Messer,N.T., Ganjam, V.K.(2004)Cushing’s syndrome,
insulin resistance and endocrinopathic laminitis. Equine Vet. J.36, 194-198
(3) Hood, D.M.(1999) Laminitis in the horse. Vet.Clin.N.Am.: Equine Pract.,
15, 287-293, 437-463
(4) O’Grady, S.E. (2003) How to restore alignment of P3 in horses with
chronic laminitis. Proc.Am.Ass.equine Practnrs. 45,115

Paardenweides en Jakobskruiskruid,hoe is het te voorkomen en hoe kom je er af?

Jakobskruiskruid en paardenweides

Door: Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) met dank voor de adviezen aan Lex van de Weerd, graslandspecialist (Barenbrug Holland B.V.) 2007

Jakobskruiskruid is een veel voorkomend en lastig te bestrijden wilde plant en een mogelijk risico op land waar vee en paarden grazen. Jakobskruiskruid is inheems in Europa en westelijk Azië. De plant groeit gewoonlijk op open verstoorde plaatsen, in schrale paardenweides en in gebieden die teruggegeven zijn aan de natuur en verschralen. Jakobskruiskruid bevat net als alle andere in Nederland voorkomende Kruiskruiden (Tribus Senecioneae, Familie Asteraceae) pyrrolizidine alkaloïden van het senecionine type. Deze stoffen zijn giftig voor de meeste gewervelde dieren en insecten (1,2,3).

Jakobskruiskruid is een tweejarige plant. In het eerste jaar groeien de rozetten. Deze zijn het hele jaar door te vinden.

Jakobskruiskruid bloeit meestal in het tweede jaar (Juni tot Oktober), maar de bloei kan na beschadiging van de plant door maaien of vraat ook uitgesteld worden. Nadat de plant zaden gevormd heeft, sterft hij. Paarden herkennen Jakobskruiskruid in gedroogde vorm niet als giftig en alkaloïden vergiftiging kan dus optreden als Jakobskruiskruid terecht komt in hooi dat voor consumptie bedoeld is. (4) Levende Jakobskruiskruid planten worden slechts in uitzonderlijke gevallen of tijdens voedselschaarste gegeten (3, 5, 6, 7, 8).

Jakobskruiskruid is een lastig te bestrijden plant

Als Jakobskruiskruid zich eenmaal in een paardenweide gevestigd heeft, is het erg lastig om de plant te bestrijden. Door voor een dichte graszode te zorgen kan de vestigingskans van Jakobskruiskruid verkleind worden. In een dichte zode kunnen de zaden van deze soort namelijk veel minder makkelijk kiemen (7,8). Het is echter niet altijd eenvoudig om in een paardenweide voor een goede dichte graszode te zorgen. Paarden lopen de bodembedekking gemakkelijk stuk, zeker in delen van de weide waar de dieren rennen, spelen en grazen.

Handmatig verwijderen

Het is niet eenvoudig om de plant te bestrijden door hem handmatig te verwijderen. Efficiënte handmatige verwijdering vereist het weghalen van de hele plant en alle wortels. Uit kleine wortelresten kunnen er weer nieuwe planten groeien. Handmatig verwijderen is over het algemeen alleen efficiënt bij zaailingen en rozetten, grotere planten zijn vaak te diep geworteld. Nadeel is het overnieuw verstoren van de grond en maakt het hiermee ook mogelijk eerder begraven zaad naar de oppervlakte brengen, waardoor het in een gunstiger positie komt om ook te ontkiemen. Jakobskruiskruid groeit snel terug na het snijden of maaien, vaak binnen een paar weken. Vaak komen er meerdere planten voor in de plaats(9).

Zaadvorming voorkomen, maaien.

Soms wordt geprobeerd om Jakobskruiskruid te bestrijden door te voorkomen dat de plant zaden vormt. het idee hier achter is, dat als Jakobskruiskruid zich niet voort kan planten, deze soort vanzelf uit de weide verdwijnt. Jakobskruiskruid is namelijk een plant met een korte levensduur. Helaas is ook deze methode niet zonder risico. In een natuurlijke situatie sterft Jakobskruiskruid na de bloei nadat de plant zaden geproduceerd heeft. ( 7, 8, 9). Het verwijderen van de bloemen of bloeiwijze of het afmaaien zorgt er echter voor dat de plant niet afsterft, maar juist opnieuw weer uitgroeit. Het verwijderen van de bloeiende delen van de plant heeft dus juist als gevolg dat de levensduur van de plant verlengd wordt. (7,8,9).

Herbiciden

Ook het gebruik van herbiciden ter bestrijding van Jakobskruiskruid geeft geen gegarandeerd succes.. Er is geen herbicide die in een keer alle kruiskruid aanpakt. De middelen die men gebruikt worden opgenomen door de bladeren en zo getransporteerd naar alle delen van de plant, omdat kruiskruiden een best groot volume kunnen hebben kan dat even duren (10,11,12,13). Belangrijk is dat de planten niet onder stress staan (bijv droogte of extreme temperaturen) het beste is om te spuiten als de plant actief groeit, dus bij goede weersomstandigheden. Spuiten met herbicide kan het beste gebeuren als het nog zaailingen of rozetten zijn. Spuiten heeft veel minder effect op volwassen planten.

Het gebruik van herbiciden is het meest effectief als de plant groeit. Selectieve herbiciden, zoals 2.4.D en MCPA doden geen gras en verdienen dus de voorkeur.

Strooizout

Soms wordt strooizout aanbevolen als bestrijdingsmiddel, maar dit is schadelijk voor de natuur en bodemleven ,de effecten ervan op Kruiskruid zijn niet voldoende bekend.,(23)

Kortom, het bestrijden van Jakobskruiskruid in een paardenweide is niet zo eenvoudig. Om te voorkomen dat kruiskruid zich uitbreidt of vestigt is de aanwezigheid van een constante goede dikke begroeiing van grassen en klaver vereist om te voorkomen dat de zaailingen zich kunnen ontwikkelen. Door voldoende bemesting zal de mat een gesloten begroeiing vormen, zorg ook dat het gras niet te veel wordt afgegraasd. Het kan ook voorkomen dat de Jakobskruiskruid druk zo hoog is dat er aanleiding is de hele weide te vernieuwen.

Voorkomen is beter dan genezen

Omdat het dus erg moeilijk kan zijn om Jakobskruiskruid te bestrijden, is het belangrijk om er voor te zorgen dat deze plant zich niet in de paardenweide kan vestigen. Goed weidebeheer is hierbij van het grootste belang (14,15,16,17).

Bodemvruchtbaarheid

Omdat een grasplant alleen goed groeit indien de bodemvruchtbaarheid op peil is, is het dus belangrijk om te weten hoe het met de vruchtbaarheid van de grond van een paardenweide gesteld is. Een goede hulp hierbij kan een bemestingsadvies zijn dat door een gespecialiseerd bedrijf opgesteld wordt aan de hand van grondmonsters. Zo’n rapport geeft, naast een weergave van de bestaande toestand in de bodem, ook bemestingsadviezen om de bodemvruchtbaarheid te handhaven of te verbeteren. Bemesting kan zorgen dat het gras in staat wordt gesteld om te concurreren met onkruiden. Het bevordert de groei van een dichte zode zodat een hoge loopschade beperkt blijft. Het voorkomt erosie en maakt een lange levensduur mogelijk (14,15,16,17).

Variatie in grassen

Naast de vruchtbaarheid van de bodem is het ook belangrijk om voor een goede grassamenstelling te zorgen. Er zijn speciale graszaadmengsels in de handel speciaal voor de paardenwei. Verschillende grassoorten hebben verschillende eigenschappen. Sommige grassoorten groeien bijvoorbeeld voornamelijk de hoogte in, andere groeien, al dan niet door middel van het vormen van uitlopers, in de breedte. Ook zijn er verschillen tussen grassoorten in de mate van regeneratie na beschadiging(18). Om een dichte, sterke grasbedekking te verkrijgen is het dus belangrijk een goede combinatie van grassoorten in te zaaien(18). Helaas wordt de keuze van grassoorten enigszins beperkt doordat niet alle grassen geschikt zijn voor paarden, bijvoorbeeld omdat ze teveel fructaan bevatten en daardoor een groter risico op hoefbevangenheid (15,17,19,20).

Roterend grazen is een goed uitgangspunt

Te kort gras en overbegrazing kunnen een weiland ongeschikt maken voor beweiding door paarden, met het risico dat zij bij het grazen teveel zand binnenkrijgen wat in de darmen tot problemen kan leiden wat zandkoliek genoemd wordt. Ook hebben op een te kort afgegraasde weide giftige planten vrij spel doordat zij zich bij voorkeur in de vrij open zode vestigen. Gras groeit vanuit het zogenaamde groeipuntje, (18) omdat paarden het gras erg kort af kunnen grazen is een grassoort met een wat lager groeipunt aan te bevelen. Gras dat te kort wordt afgegraasd moet heel veel energie steken in het herstel, het zal veel langer duren tot dit gras weer op de juiste hoogte is. In dit stadium maakt het gras onder deze stress veel fructaan (15,17,19,20). Veel paardeneigenaren van mening dat ‘kruiden’ weinig voedingswaarde bevatten en schraal zijn. Zij zijn verbaasd als hun paarden hoefbevangen raken op een wei die hoofdzakelijk onkruid en weinig gras bevat (21).

Voorkomen is gemakkelijker dan bestrijden.

Zelfs als de bodem vruchtbaar is en de grassamenstelling juist is, zal de grasmat door paarden beschadigd worden. Dit is in het bijzonder een probleem als er weinig weide-oppervlak per paard is, omdat hier het risico op overbegrazing en bodemverstoring groter is. Dit is te verkomen door de beschikbare grond in kleinere stukken te verdelen (14,16) Zo kunnen de paarden naar een ander deel van de weide verplaatst worden wanneer het gras te kort wordt of de bodem beschadigd raakt: roterend grazen. Dit geeft het begraasde deel van het weiland tijd om te herstellen. Het is aan te raden om het gras niet korter te laten worden dan 5-6 cm. Als het gras daarna weer een hoogte van 15-20 cm bereikt heeft, is het opnieuw geschikt voor begrazing (14,16,17). De stukken die kaal zijn kunnen bedekt worden met oud hooi of mest, (mulchen) wat nieuw gras de kans geeft om beter te groeien en voorkomt dat onkruiden zoals Jakobskruiskruid licht krijgen dat ze nodig hebben om te kunnen kiemen (8,9). Als er niet voldoende wei is om regelmatig te roteren, creëer dan een plek waar ze tijdelijk kunnen staan met hooi, totdat het grasland voldoende hersteld is. Roteer de paarden in groepen. Het is beter voor het paard dan elk paard alleen in een eigen stuk. Een paard is een sociaal dier dat contact nodig heeft met soortgenoten (22).

Referenties:

1 Schneider, D. 1987. The strange fate of pyrrolizidine alkaloids. In: Chapman, R. F., E. A. Bernays & J. G. Stoffolano (Eds.). Perspectives inchemoreception and behavior: Springer, Berlin/Heidenberg. 123-142.

2 Boppré, M. 1986. Insects pharmacophagously utilizing defensive plant chemicals (pyrrolizidine alkaloids). Naturwissenschaften 73: 17-26

3 Macel, M. 2003. On the evolution of the diversity of pyrrolizidine alkaloids. The role of insects as selective forces. Thesis Leiden University.

4 Vos, J. H., A. A. J. Geerts, J. W. Borgers, M. H. Mars, J. A. M. Muskens & L. A. van Wuijckhuise-Sjouke. 2002. Jacobskruiskruid: bedrieglijke schoonheid. Tijdschr. Diergeneesk. 127: 753-756.

5 Giles, C. J. 1983. Outbreak of ragwort (Senecio jacobaea) poisoning in horses. Equine Veterinary Journal 15: 248- 250.

6 Bain, J. F. 1991. The biology of Canadian weeds. 96. Senecio jacobaea L. Canadian Journal of Plant Science. 71: 127-140.

7 Poole, A. L. & D. Cairns. 1940. Botanical aspects of Ragwort (Senecio jacobaea L.) control. Department of Scientific and Industrial ResearchBulletin 82: 2-61.

8 Harper, J. L. & W. A. Wood. 1957. Senecio jacobaea L. The Journal of Ecology 45: 617-637.

9 Weeda E.J., R. Westra, CH. Westra & T. Westra. 1987. De Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties.

10 McLaren, D. & F. Mickan, 1997 The Ragwort Management Handbook. Department of Natural Resources and Environment. Melbourne.

11 McLaren, D & I Faitfull, 2004 Ragwort management. Department of Natural Resources and Environment. Melbourne.

12 Muyt, A. 2001. Bush invaders of south-east Australia. R.G. & F.J. Richardson, Meredith, Vic.

13 Parsons, W.T. & E.G. Cuthbertson, 2001. Noxious Weeds of Australia. 2nd Ed. Collingwood, CSIRO Landlinks Press Australia.

14 Myers, J. 2005. Managing Horses on Small Properties. CSIRO Landlinks Press Australia. website

15 Watts. K. 2007. Rocky Mountain Research and Consulting, Inc. 491 West CR 8 North Center, CO 81125

16 Horse Forage and Forage Management 1997-2007. The Samuel Roberts Noble Foundation, Inc

17 Waller, S. S., E. M. Lowel, L. E. Moser, G. A. Gates & P. E. Reece. 1985 Understanding Grass Growth: The Key to Profitable Livestock Production.

18 Pihlajamaa-Glimmerveen, L. E. 2006. Grassen de basis van onze beschaving.

19 Smith, D. 1973. Nonstructural Carbohydrates. Butler, G. W. & R. W. Bailey (Eds.). Chemistry and Biochemistry of herbage. Academic Press, London:1:105-155.

20 Veldman, F. H. M. & I. Kooistra. 2006. Fructaanpagina, Paard natuurlijk.

21 Watts, K. A. 2005. Unlikely sources of excess carbohydrate in equine diets. Journal of Equine Veterinary Science 25: 338-344.

22 Dierendonck van , M. C. 2006. The importance of social relationships in horses. Dissertation Utrecht University, Faculty of Veterinary Medicine.

23 SenterNovem-infobladen

Het begrip verstoorde grond en de relatie met Jakobskruiskruid.

Door Esther Hegt en Hans Kruijer (Nationaal Herbarium Nederland, Leiden) 2006

Een plant die in zijn natuurlijke omgeving groeit heeft te maken met een groot aantal biotische en abiotische factoren. Biotische factoren hebben te maken met levende organismen, zoals bacteriën, schimmels, dieren, en andere planten in de naaste omgeving. Abiotische factoren zijn gerelateerd aan de niet-levende natuur, zoals klimaat, weer, waterkwaliteit, en bodem.

Voor een bos is het heel normaal dat er eens in de, zeg, twintig tot dertig jaar een zo zware storm komt dat er bomen sneuvelen. Dat hoort er bij en draagt bij aan de natuurlijke verjonging van het bos. Voor het bos, zeker als dat een groot en oud bos is, hoef je dat niet als een verstoring te beschouwen. Voor de omgewaaide bomen wel, en voor die bomen is het een vrij desastreuze verstoring. Voor de enkele boom die op de vlakte is blijven staan is het ook een verstoring, omdat zijn buren er niet meer zijn en hij veel meer licht vangt. Voor kruiden als Vingerhoedskruid en Adelaarsvaren bijvoorbeeld is het ook een verstoring, die een uitgelezen kans biedt om massaal op zo’n stormvlakte te gaan groeien.

Jakobskruiskruid heeft een open gewoeld plekje nodig om te kunnen ontkiemen. Een gaatje door een worm gemaakt kun je niet echt zien als een verstoring van de bodem, een wormhoopje is te klein. Daarentegen is een molshoop weer wel een welkome verstoring voor Jakobskruiskruid. Vanuit het perspectief van Jakobskruiskruid zijn mensen en eigenlijk grote mollen, die grote verstoringen in een vegetatie kunnen aanbrengen (ploegen, verplaatsen van grond bij aanleg van woonwijken en wegen), maar dat ook indirect kunnen bewerkstelligen door (te veel) vee in weilanden en natuurgebieden te laten grazen. Als je een weiland als één geheel systeem bekijkt, dus op grotere schaal, zijn molshopen geen verstoring, ( van echte mollen) omdat mollen tot de weidebodemfauna behoren en ook wezenlijk zijn voor de bodemvorming, net als wormen, maar voor Jakobskruiskruid zijn de molshopen wel ideaal om te kunnen kiemen.

Jakobskruiskruid is inheems in Nederland, maar tot voor enkele decennia zeldzaam in sommige delen van Nederland (zoals Drenthe en aangrenzend Groningen). Daar is de soort uitgezaaid en maakt de soort dankbaar gebruik van de vele recente verstoringen die de mens daar aanricht.

Of Jakobskruiskruid het liefst op schrale grond groeit valt te betwijfelen. Drenthe was heel erg schraal en daar kwam de soort tot voor kort weinig voor. Het bevestigt wel weer dat mensenwerk de natuur verstoort en Jakobskruiskruid ook op rijkere gronden kan groeien, mits de vegetatie maar voldoende open is en de bodem voldoende verstoord en omgewoeld. Ook hier kunnen weer meer factoren meespelen, planten houden zich niet aan de regeltjes zoals die wij mensen voor hen bedenken. Als er in een flora staat dat de plant meestal op schrale grond groeit, dan wil dat niet zeggen dat de plant nooit op een voedselrijke grond zal groeien. Het voorkomen van een plant in een bepaalde omgeving wordt door heel veel biotische en abiotische factoren bepaald. Het kan zijn dat 1 (of meerdere) van deze factoren niet optimaal voor de plant is (bijvoorbeeld een bodem die wat voedselrijker is dan Jakobskruiskruid dat ideaal zou willen hebben), maar dat dit gecompenseerd wordt door andere factoren die wel optimaal zijn (bijv. een bodem die verstoord is).

Jakobskruiskruidvergiftiging, Pyrrolizidine alkaloïde metabolisme

Door: Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007
 
Pyrrolizidine alkaloïden kunnen in verschillende vormen voorkomen. Deze vormen kunnen door chemische processen in een andere vorm omgezet worden. Sommige van deze vormen zijn giftig voor mensen en dieren. Hier proberen we aan de hand van een PA genaamd ‘heliotrine’ (Afbeelding 1a) uit te leggen in welke vormen PAs kunnen voorkomen en hoe ze in een andere vorm omgezet kunnen worden. De blauwe ‘N’ in Afbeelding 1a is een stikstof-atoom. Dit stikstofatoom kan geoxideerd worden. Dat betekent dat een zuurstof atoom (O) zich aan het stikstof atoom bindt (Afbeelding 1b). De vorm waarin een PA zich nadat het geoxideerd is bevindt wordt een N-oxide genoemd. Het molecuul in afbeelding 1b wordt dus heliotrine N-oxide genoemd. De N-oxide vorm is de niet-giftige vorm waarin PAs zich in een plant bevinden. Deze N-oxiden zijn goed in water oplosbaar, maar ze lossen slecht in vet op. Omdat de darmwand relatief vet is, worden ze in deze vorm dus slecht in het lichaam opgenomen. In de darm worden deze stoffen echter gereduceerd, wat inhoudt dat het zuurstof atoom van het molecuul afgesplitst wordt. Als dit met een heliotrine N-oxide gebeurd wordt dus weer het molecuul in Afbeelding 1a verkregen. In deze vorm worden PAs wel goed door de darmwand worden opgenomen. Via het bloed wordt dit PA vervolgens naar de lever vervoerd. Daar kunnen er drie dingen mee gebeuren. 1 ) Het molecuul kan bijvoorbeeld gehydrolyseerd worden. Dan wordt het niet-giftige molecuul in Afbeelding 1c verkregen. 2) Het molecuul kan ook weer geoxideerd worden, dan krijg je het water oplosbare molecuul in Afbeelding 1b weer wat makkelijk uitgeplast wordt en daardoor snel het lichaam verlaat. 3 ) Het molecuul kan tenslotte echter ook in een aantal stappen een dehydrogenatie ondergaan wat uiteindelijk resulteert in het molecuul afgebeeld in Afbeelding 1d. Dit molecuul en alle moleculen die in de tussenstappen van het dehydrogenatie proces gevormd worden zijn erg giftig. Dit komt doordat ze makkelijk met allerlei andere stoffen in het lichaam kunnen reageren en hierdoor cellen kunnen beschadigen. Zo kunnen deze moleculen zich bijvoorbeeld aan DNA binden en hierdoor genen beschadigen. Het molecuul in Afbeelding 1d is een voorbeeld van een dehydro-PA, in dit geval dehydroheliotrine. Dit is het meest stabiele eindprodukt en kan daarom in bloed of weefsel samples aangetoond worden. De moleculen tijdens de tussenstappen van de dehydrogenatie ontstaan kunnen echter niet aangetoond worden omdat ze snel omgezet worden.

 
 
 1a

 
 
1b
 

 1c

1d
 
In samenwerking met Merijn Roos (dierenarts aan de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht.)
 
Stewart, M. J. & V. Steenkamp. 2001. Pyrrolizidine poisoning: a neglected area in human toxicology. Therapeutic Drug Monitoring 23: 698-708.

 



 

Jakobskruiskruidvergiftiging, hoe werkt dat?

Door: Esther Hegt enDr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007


Jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) en alle andere in Nederland voorkomende Kruiskruiden (Family Asteraceae; Tribus Senecioneae) bevatten inhoudstoffen die giftig zijn voor de meeste zoogdieren en insecten (1-3). Deze inhoudstoffen worden pyrrolizidine alkaloïden (PA’s) genoemd. Naast Kruiskruiden bevatten ook veel andere planten PA’s: deze stoffen zijn aangetroffen in meer dan 6000 plantensoorten (3% van alle bloemplanten; 7, 23, 25). Een PA vergiftiging kan optreden als dieren verse of gedroogde planten eten die PA’s bevatten. Omdat verse Kruiskruiden een afstotende smaak en geur hebben, zullen ze meestal niet gegeten worden (4-12) tenzij een gebied overbegraasd wordt of er weinig ander groen te eten is (7). Maar in gedroogde planten is deze smaak en geur echter veel minder sterk en daardoor herkennen dieren Kruiskruiden niet altijd als giftig (6, 7). Hierdoor kan met name hooi en kuilvoer dat Kruiskruiden bevat een risico vormen (7, 13).


Hoe kun je een PA vergiftiging herkennen?


De verschijnselen van PA vergiftiging zijn niet erg specifiek en zijn ondermeer vermagering, slechte eetlust, sloomheid, slechte vacht, korsten, met name op de kroonrand (paard), gele slijmvliezen en zenuwverschijnselen (wankele gang, cirkelbewegingen, bewustzijnsvermindering, opgewonden/paniekerig gedrag (7, 14-19). Deze symptomen tonen vaak alleen aan dat er sprake van schade aan de lever is wat vele oorzaken kan hebben zoals ondermeer geboorteafwijkingen, ontstekingen die door bacteriën en virussen veroorzaakt zijn en parasieten, maar deze leverschade kan ook door andere PA bevattende planten dan Jakobskruiskruid veroorzaakt zijn (20, 21). Alleen als een dier relatief grote hoeveelheden PA bevattende planten eet zullen de symptomen van PA vergiftiging zichtbaar zijn. Exacte hoeveelheden zijn onbekend, maar worden geschat op 1 tot 10% van het lichaamsgewicht van een dier (14, 15, 22). Een paard van 500 kilo zou dus tussen de 250 en 2500 volgroeide Jakobskruiskruid stengels (elk ongeveer 20 gram drooggewicht) moeten eten om ziekteverschijnselen te laten zien. Als dit in een relatief korte tijd gebeurt resulteert dit in acute PA vergiftiging, maar in de meeste gevallen is er sprake van het eten van kleinere hoeveelheden gedurende een langere periode, dit wordt chronische PA vergiftiging genoemd. Omdat PA’s meestal binnen 24 tot 48 uur het lichaam weer verlaten (7, 23-25) kunnen deze giftige stoffen alleen in bloed en weefsel samples aangetroffen worden als deze kort na het eten van PA bevattende planten genomen worden (28). Een bioptie of sectie kan echter leverschade aantonen die vrij specifiek voor PA vergiftiging is (20, 21) en bloed samples kunnen bepaalde lever enzymen aantonen die op PA vergiftiging kunnen wijzen (28), maar omdat de meeste eigenaren van dieren zelden dit soort testen uit laten voeren (Gezondheidsdienst Voor Dieren, pers. comm.) wordt PA vergiftiging meestal aangenomen als symptomen van leverschade samen vallen met het aantreffen van Kruiskruiden in hooi of op het land waar de dieren gegraasd hebben. Hierdoor is het mogelijk dat gevallen van PA vergiftiging niet ontdekt worden of dat vergiftiging onterecht vastgesteld wordt en leverschade eigenlijk door andere factoren veroorzaakt is.

Hoe beschadigen PA’s de lever?


Zoals eerder genoemd kan PA vergiftiging veroorzaakt worden door zowel het eten van veel PA bevattende planten in een korte tijd als door het regelmatig eten van kleinere hoeveelheden gedurende een langere periode. Hoewel beide soorten PA vergiftiging (acute en chronische) tot leverschade kunnen leiden, hebben ze een verschillend effect op de lever (23-25). Acute vergiftiging resulteert in een aanmerkelijke mate van necrose in de lever. Necrose is een ongecontroleerde sterfte van cellen (7, 23, 25). De levercellen worden aan zo’n hoge concentratie PA’s blootgesteld dat ze in grote aantallen afsterven wat als gevolg heeft dat er veel dood weefsel in de lever ontstaat, het lichaam reageert vervolgens met een infectie en een dier wordt hierdoor erg ziek (23, 25). Niet alleen omdat de lever niet meer goed functioneert, maar ook omdat het ontstoken is. Afhankelijk van de mate van leverschade zal het dier sterven of herstellen (5, 26, 27). Gedurende het herstellen wordt het dode weefsel in de lever afgebroken en verwijderd door de ontstekingscellen. De beschadigde delen van de lever worden vervolgens opgevuld met bindweefsel, dit betekent dat een gedeelte van een normaal functionerende lever verwijderd is, het verlies van leverfunctie zal afhangen van hoe groot dit deel is geweest. Als het slechts om een klein deel van de lever gaat dan zal een dier geen ziekte verschijnselen laten zien, maar als het een aanmerkelijk deel van de lever betreft, dan zullen er duidelijke symptomen van leverschade zichtbaar zijn (16-19). In tegenstelling tot acute PA vergiftiging leidt chronische vergiftiging niet tot grootschalige necrose (23-25). Hoewel de levercellen die erg beschadigd zijn necrose zullen ondervinden, zal hun aantal relatief klein zijn als er slechts kleine hoeveelheden Kruiskruid gegeten werden, chronische vergiftiging zal daarom meestal niet tot lever ontstekingen leiden. De cellen die slechts licht beschadigd zijn zullen apoptose ondergaan (7, 23, 25). Dit is in tegenstelling tot necrose een gecontroleerde celdood. Deze cellen produceren stoffen die andere cellen laten weten dat ze beschadigd zijn en daardoor een risico voor gezonde cellen kunnen vormen omdat ze over kunnen gaan tot necrose of in tumor cellen kunnen veranderen zoals aangetoond is in onderzoek aan ratten en muizen (23, 25). Tijdens apoptose worden cellen afgebroken in gesloten blaasjes die door andere cellen worden opgenomen. Het belangrijk om hier te constateren dat apoptose dus niet tot lever ontsteking leidt. Zo lang er niet te veel cellen zijn die apoptose vertonen wordt het verlies van lever functie door andere cellen overgenomen en zal de lever gezond blijven. Er zullen dus geen symptomen van leverschade zichtbaar zijn en bloed samples zullen niet de lever enzymen vertonen die karakteristiek zijn voor PA vergiftiging. De verloren cellen worden vervangen door cellen die zich nog steeds kunnen delen en als levercellen slecht licht beschadigd zijn kunnen ze soms zelfs herstellen (26, 27). Samenvattend kunnen we dus stellen dat onder een bepaald niveau PA vergiftiging niet tot onherstelbare leverschade zal leiden. Als een dier dus PA bevattende planten eet dan zal het alleen ziek worden als het te veel planten binnen krijgt. In zulke gevallen compenseert de lever voor de verloren cellen en zullen er geen symptomen zichtbaar zijn, zelfs niet in bloed samples. Als grotere hoeveelheden PA bevattende planten gegeten worden is dit als eerste zichtbaar in bloed samples. Die zullen dan bepaalde lever enzymen vertonen die op PA vergiftiging kunnen wijzen. Vervolgens worden de symptomen van leverschade duidelijk. Het is op dit moment niet duidelijk hoe veel PA’s een dier moet binnen krijgen om symptomen van vergiftiging te gaan vertonen, maar die zal per diersoort en individu verschillen (16-19). In zeer ernstige gevallen van PA vergiftiging laten bloed samples de karakteristieke lever enzymen niet zien, omdat er zo veel cellen beschadigd zijn, dat er niet genoeg cellen meer zijn om deze enzymen aan te maken.


De omzetting van de PA’s Lees verder


In samenwerking met Merijn Roos (dierenarts aan de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht.)

referenties;

(1) Schneider, D. 1987. The strange fate of pyrrolizidine alkaloids. In: Chapman, R. F., E. A. Bernays & J. G. Stoffolano (Eds.). Perspectives in
chemoreception and behavior: Springer, Berlin/Heidenberg. 123-142.
(2) Boppré, M. 1986. Insects pharmacophagously utilizing defensive plant chemicals (pyrrolizidine alkaloids). Naturwissenschaften 73: 17-26.
(3) Macel, M. 2003. On the evolution of the diversity of pyrrolizidine alkaloids. The role of insects as selective forces. Thesis Leiden University.
4) Giles, C. J. 1983. Outbreak of ragwort (_Senecio jacobaea_) poisoning in horses. Equine Veterinary Journal 15: 248-250.
(5) De Lanux-Van Gorder, V. 2000. Tansy ragwort poisoning in a horse in southern Ontario. Can. Vet. J. 41: 409- 410.
(6) Gardner, D. R., M. S. Thorne, R. J. Molyneux, J. A. Pfister & A. A. Seawrigh. 2006. Pyrrolizidine alkaloids in _Senecio madagascariensis_ from
Australia and Hawaii and assessment of possible livestock poisoning. Biochemical Systematics and Ecology 34: 736-744
(7) European Food Safety Authority. 2007. Opinion of the Scientific Panel on contaminants in the food chain on a request from the European Commission
related to Pyrrolizidine alkaloids as undesirable substances in animal feed. The EFSA Journal 447: 1-51.
(8) Bain, J. F. 1991. The biology of Canadian weeds. 96. _Senecio jacobaea_ L. Canadian Journal of Plant Science. 71: 127-140.
(9) Poole, A. L. & D. Cairns. 1940. Botanical aspects of Ragwort (_Senecio jacobaea L_.) control. Department of Scientific and Industrial Research
Bulletin 82: 2-61.
(10) Harper, J. L. & W. A. Wood. 1957. _Senecio jacobaea L_. The Journal of Ecology 45: 617-637.
(11) Cosyns, E. 2004. Ungulate seed dispersal. Aspects of endozoochory in a semi-natural landscape. Institute of Nature Conservation, Brussels.
(12) Dean R. E. & A. H. Winward. 1974. An investigation into the possibility of tansy ragwort poisoning of black- tailed deer. Journal of Wildlife
Diseases 10: 166-169.
(13) Candrian, U., J. Luthy, P. Schmid, Ch. Schlatter & E. Gallasz. 1984. Stability of pyrrolizidine alkaloids in hay and silage. J. Agric. Food Chem.
39: 930-933
(14) Goeger, D. E., P. R. Cheeke, J. A. Schmitz & D. R. Buhler. 1982. Toxicity of tansy ragwort (_Senecio jacobaea_) to goats. Am. J. Vet. Res.
43: 252-254.
(15) Molyneux R. J., Johnson, A. E.& L. D. Stuart. 1988. Delayed manifestation of Senecio-induced pyrrolizidine alkaloidosis in cattle: case
reports. Vet. Hum. Toxicol. 30: 201-205.
(16) Craig, A. M., E. G. Pearson, C. Meyer & J. A. Schmitz. 1991. Serum liver enzyme and histopathologic changes in calves with chronic and
chronic-delayed _Senecio jacobaea_ toxicosis. Am. J. Vet. Res. 52: 1969-1978.
(17) Odriozola, E., C. Campero, A. Casaro,T. Lopez, G. Olivieri & O. Melucci. 1994. Pyrrolizidine alkaloidosis in Argentinan cattle caused by
_Senecio selloi_. Vet. Hum. Tox. 36: 205-208.
(18) Johnson, A. E. & R. A. Smart 1983. Effects on cattle and their calves of tansy ragwort (_Senecio jacobaea_) fed in early gestation. Am. J. Vet.
Res. 44: 1215-1219
(19) Tilt, S.E. 1969. Ragwort toxicosis in a heifer. Can. Vet. J. 10: 302-306.
(20) Durham A. E., J. R. Newton,K. C. Smith, M. H. Hillyer, L. L. Hillyer, M. R. Smith, & C. M. Marr. 2003. Retrospective analysis of historical,
clinical, ultrasonographic, serum biochemical and haematological data in prognostic evaluation of equine liver disease. Equine Vet. J. 35: 542-547.
(21) DEFRA/AHT/BEVA. 2004. Department for Environment, Food and Rural Affairs Engeland. Equine Quarterly Disease Surveillance Report. Pilot Issue:
Focus on equine liver disease 7-9.
(22) Vos, J. H., A. A. J. Geerts, J. W. Borgers, M. H. Mars, J. A. M. Muskens & L. A. van Wuijckhuise-Sjouke. 2002. Jacobskruiskruid: bedrieglijke
schoonheid. Tijdschr. Diergeneesk. 127: 753-756.
(23) Fu, P. P., Q. Xia, G. Lin & M. W. Chou. 2004. Pyrrolizidine alkaloids – Genotoxicity, metabolism enzymes, metabolic activation, and mechanisms. Drug
Metabolism Reviews 36: 1-55.
(24) Stewart, M. J. & V. Steenkamp. 2001. Pyrrolizidine poisoning: a neglected area in human toxicology. Therapeutic Drug Monitoring 23: 698-708
(25) Chojkier, M. 2003. Hepatic sinusoidal-obstruction syndrome: toxicity of pyrrolizidine alkaloids. Journal of Hepatology 39: 437-446.
(26) Czaja, M. 1998. Liver growth growth and repair. Chapman en Hall London. ISBN 0412 71260.
(27) Lessard, P., W. D. Wilson, H. J. Olander, Q. R. Rogers, & V. E. Mendel. 1986. Clinicopathologic study of horses surviving pyrrolizidine alkaloid
(_Senecio vulgaris_) toxicosis. Am. J. Vet. Res. 47: 1776-1780.
(28) Roeder, E. & Pflueger, T. (1995). Analysis of pyrrolizidine alkaloids: a competitiveenzyme-linked immunoassay (ELISA) for the quantitative
determination of some toxic pyrrolizidine alkaloids. Nat. Toxins 3:305-309.