Categoriearchief: Jakobskruiskruidvergiftiging

Jakobskruiskruid-vergiftiging door huidopname, feit of fabel?

Door: Esther Hegt enDr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007

Op verschillende websites (1) en via andere media (2) (3) (4) wordt bericht dat de giftige stoffen in Jakobskruiskruid (pyrrolizidine alkaloïden) via de huid opgenomen kunnen worden en dat huidcontact met Jakobskruiskruid-planten dus vermeden moet worden. Om er achter te komen of deze informatie juist is, zijn we naar de oorspronkelijke bron op zoek gegaan. Tot op heden hebben we de berichtgeving over vergiftiging via de huid kunnen herleiden tot twee bronnen.

1) Paragraaf 4.1.1 in een rapport van de World Health Organization in 1988 (5). In dit rapport wordt wat betreft de opname van pyrrolizidine alkaloïden via de huid verwezen naar een artikel van Brauchli en collega’s (6). Deze wetenschappers schrijven dat uit toxicologisch onderzoek aan ratten is gebleken dat pyrrolizidine alkaloïden uit de wortels van Smeerwortel (Symphytum officinale, Boraginaceae) via de huid opgenomen kunnen worden. De hoeveelheid pyrrolizidine alkaloïden die op deze manier opgenomen wordt lijkt echter veel lager te zijn dan bij orale inname. In de urine van de ratten werd er een 20 tot 50 keer lagere uitscheiding van pyrrolizidine alkaloïden waargenomen dan bij orale toediening gemeten werd. Zolang de plant nog niet is gegeten bevinden pyrrolizidine alkaloïden zich in hun N-oxide vorm en zijn dan niet giftig. Als de plant gegeten wordt, dan worden de pyrrolizidine alkaloïden in deze vorm met name in de dunne darm omgezet in vrije alkaloïden die wel giftig zijn en de lever aan kunnen tasten. In de studie van Brauchli et al. (1982) werd er vastgesteld dat pyrrolizidine alkaloïden die via de huid opgenomen werden niet of nauwelijks werden omgezet in vrije alkaloïden. We hebben geen recentere wetenschappelijke artikelen over dit onderwerp kunnen vinden.

2) Berichtgeving via internet door Dr. Knottenbelt (Liverpool University). Deze dierenarts wordt op internet regelmatig aangehaald, omdat hij tijdens een debat van de House of Commons heeft gezegd dat de giftige stoffen in Jakobskruiskruid vrijwel zeker door de huid opgenomen kunnen worden (7). Naar aanleiding hiervan hebben wij contact met Dr. Knottenbelt opgenomen. Per email berichtte hij ons dat er geen wetenschappelijk bewijs voor zijn uitspraken is. Hij schreef dat hij zelf leverschade ondervonden heeft na het handmatig verwijderen van Jakobskruiskruid planten. De resultaten van dit ‘experiment’ zijn echter niet gepubliceerd en naar onze mening ook niet middels een goede wetenschappelijke proefopzet verkregen.

Uit ons onderzoek naar de bronnen achter de berichtgeving dat het gevaarlijk is om Jakobskruiskruid aan te raken, concluderen wij dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat er een gezondheidsrisico voor mensen bestaat. De hoeveelheid pyrrolizidine alkaloïden die eventueel opgenomen zou kunnen worden d.m.v. huidcontact is zeer laag en er is geen bewijs dat deze alkaloïden omgezet worden in een giftige vorm. Jakobskruiskruid kan bij huidcontact echter wel een allergische reactie geven: compositae dermatitis.(8). Deze allergie treedt op na huidcontact of na het eten van de planten. De allergie wordt niet veroorzaakt door de pyrrolizidine alkaloiden, maar door andere stoffen die in veel soorten van de composietenfamilie voorkomen (sesquiterpene lactonen) (9).

Bronvermeldingen

(1) Ragwort-UK Ltd Educational site
(2) Yorkshire Dales Country News – 2006 Ragwort poisoning alert
(3) Nieuwsblad België-Jakobskruiskruid kan dodelijk zijn
(4) DEFRA Advice on handling ragwort
(5) World Health Organisation. 1988. Environmental health criteria for Pyrrolizidine alkaloids. Published under the joint sponsorship of the United
Nations Environment Programme and the World Health Organization. Geneva.
(6) Brauchli J., J. Luthy, U. Zweifel & C. Schlatter. 1982. Pyrrolizidine alkaloids from Symphytum officinale L. and their percutaneous absorption in
rats. Experientia (Basel) 38: 1085-1087.
(7) Knottenbelt, D., House of Commons 25 Jul 2000 : Column 1089
(8) Gordon, L. A. 1999. Compositae dermatitis. Australas. J. Dermatol. 40: 123-128.
(9) Warshaw, E. M. & K. A Zug. 1996. Sesquiterpene lactone allergy. Am. J. Contact. Dermat. 7: 1-23

Fabels m.b.t. het aantal sterfte gevallen door kruiskruidvergiftiging en het belang van sectie op overleden dieren.

Door: Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007

Om een goed beeld te krijgen van de schaal van het Jakobskruiskruid probleem is het belangrijk om er achter te komen hoeveel slachtoffers deze plantensoort per jaar eist.


Omdat het alleen door sectie of een leverpunctie in combinatie van het ziektebeeld en het aantonen van Kruiskruid in het voer vast te stellen is of een dier daadwerkelijk aan kruiskruid vergiftiging gestorven is en dit meestal niet gebeurt omdat algemeen aangenomen wordt dat sectie of punctie erg kostbaar is, wordt er in de media (1) en (2) en op internet (3) en (4) veel gespeculeerd over het aantal dieren dat per jaar door toedoen van Jakobskruiskruid sterft. Helaas zijn deze schattingen vaak niet accuraat en geven dus een misleidend beeld van de schaal van het Jakobskruiskruid probleem.Op het internet is een mooi voorbeeld te vinden van een schatting die het resultaat is van een verkeerde extrapolatie van gegevens.

In Engeland gaat het verhaal dat er in het jaar 2002 6500 paarden in de UK zijn overleden aan kruiskruidvergiftiging (5).


Bij nazoeken hoe ze aan die getallen kwamen bleek er een enquête achter het verhaal te zitten gehouden onder alle dierenartsen die aangesloten zijn bij de British Equestrian Veterinary Association. Slechts 4% van de dierenartsen heeft de enquête ingevuld. De vraag in de enquete hoeveel vermoede of bevestigde gevallen van kruiskruidvergiftiging de dierenarts onder behandeling heeft gehad resulteerde in een totaal aantal van 283 meldingen waarbij VERMOED wordt dat er Jakobskruiskruid in het spel is geweest Dit getal is vervolgens omgerekend naar álle leden: als 4% gelijk staat aan 283 sterftegevallen, dan is 100% (als alle dierenartsen de enquete zouden hebben ingevuld) gelijk aan 7075. Op het eerste gezicht lijkt dit misschien een juiste berekening, maar helaas is het erg gevaarlijk om zo’n kleine steekproef te extrapoleren. Zeker in dit geval, omdat een dierenarts eerder geneigd is om zo’n enquête in te vullen als hij/zij zelf zieke paarden onder behandeling heeft gehad waarvan hij/zij dacht dat het door Jakobskruiskruid zou kunnen komen. Dit wordt bevestigd door het hoge percentage van 89% van de ondervraagden dat aangaf in aanraking met vermoedelijke gevallen te zijn geweest, een percentage van 75% gaf aan bevestigde gevallen gezien te hebben. Het is daarnaast niet uit te sluiten dat er meerdere dierenartsen melding hebben gemaakt van het zelfde geval van sterfte door Jakobskruiskruidvergiftiging en dat er dus soms ‘dubbel’ geteld wordt.
Het enige wat je hieruit kan concluderen is dat er, zover bekend, in 2002 283 paarden vermoedelijk zijn gestorven aan Alkaloïden vergiftiging. Het is niet bekend op hoeveel van die gevallen sectie verricht is. Het gevaar van deze verkeerde schatting laat zich duidelijk zien op internet.

Na enig Googelen kan je vinden dat er veel websites zijn die de schatting van 6500 dode paarden per jaar klakkeloos overnemen en als een feit presenteren.

Een bronvermelding wordt vaak niet gegeven (6) en (7). Ook in Nederland worden er bij gebrek aan data cijfers genoemd die niet door gegevens onderbouwd worden. De dierenbescherming spreekt bijvoorbeeld over honderden overleden dieren per jaar (4). Navraag leerde echter dat de Dierenbescherming niet over sectie rapporten noch over meldingen van concrete ziekte- en/of sterfgevallen beschikt.

Een vermoeden is niet voldoende om een Kruiskruidvergiftiging aan te tonen.

Vaak wordt de combinatie van het ziekte beeld van leverfalen en het aantreffen van Kruiskruid in de wei of in het hooi gezien als bewijs voor Kruiskruidvergiftiging, maar dit bewijs is wel erg indirect. Vergiftiging door Jakobskruiskruid en andere kruiskruiden geeft namelijk géén specifiek ziektebeeld en er zijn ook veel andere oorzaken van leverfalen (zoals aangeboren afwijkingen, leverabcessen, en ontstekingen veroorzaakt door bacterien, parasieten, virussen, of andere giftige stoffen dan PA’s) (8). Ook leverbiopsie of sectie kan niet onomstotelijk vaststellen dat de leverschade door kruiskruidvergiftiging veroorzaakt wordt, maar laat wél een specifiek patroon van leverbeschadiging zien dat veel andere oorzaken kan uitsluiten. Daarnaast wordt Jakobskruiskruid vaak verward met andere geelbloeiende planten. (9)

Duidelijk is dat de schattingen verkeerd zijn en dat het aantal sterftegevallen lager kan zijn, maar ook best hoger zou kunnen zijn. Er is weinig bekend over de schaal van het probleem, deze kennislacune zou opgevuld kunnen worden door sectie op overleden dieren.

Deze pagina is in 2007 geschreven, links zijn verouderd en inactief gemaakt.

Bronvermeldingen

(1) Leeuwarder Courant 20-7-2005
(2) Leeuwarder Courant maandag 2-8-2004
(3) ANP Perssupport
(4) Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. 2006. Inspectiedienst
waarschuwt voor Jakobskruiskruid.
(5) Equiworld Horsemagazine British Horse Society Ragwort survey reveals disturbing new figures on horse fatalities.
(6) Paard Natuurlijk
(7) Bokt Paardenforum
(8) DEFRA/AHT/BEVA. 2004. Department for Environment, Food and Rural Affairs Engeland. Equine Quarterly Disease Surveillance Report. Pilot Issue:
Focus on equine liver disease 7-9.
(9) Alarm om opmars Jakobskruiskruid Telegraaf 23-07-2007

Jakobskruiskruidvergiftiging, Pyrrolizidine alkaloïde metabolisme

Door: Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007
 
Pyrrolizidine alkaloïden kunnen in verschillende vormen voorkomen. Deze vormen kunnen door chemische processen in een andere vorm omgezet worden. Sommige van deze vormen zijn giftig voor mensen en dieren. Hier proberen we aan de hand van een PA genaamd ‘heliotrine’ (Afbeelding 1a) uit te leggen in welke vormen PAs kunnen voorkomen en hoe ze in een andere vorm omgezet kunnen worden. De blauwe ‘N’ in Afbeelding 1a is een stikstof-atoom. Dit stikstofatoom kan geoxideerd worden. Dat betekent dat een zuurstof atoom (O) zich aan het stikstof atoom bindt (Afbeelding 1b). De vorm waarin een PA zich nadat het geoxideerd is bevindt wordt een N-oxide genoemd. Het molecuul in afbeelding 1b wordt dus heliotrine N-oxide genoemd. De N-oxide vorm is de niet-giftige vorm waarin PAs zich in een plant bevinden. Deze N-oxiden zijn goed in water oplosbaar, maar ze lossen slecht in vet op. Omdat de darmwand relatief vet is, worden ze in deze vorm dus slecht in het lichaam opgenomen. In de darm worden deze stoffen echter gereduceerd, wat inhoudt dat het zuurstof atoom van het molecuul afgesplitst wordt. Als dit met een heliotrine N-oxide gebeurd wordt dus weer het molecuul in Afbeelding 1a verkregen. In deze vorm worden PAs wel goed door de darmwand worden opgenomen. Via het bloed wordt dit PA vervolgens naar de lever vervoerd. Daar kunnen er drie dingen mee gebeuren. 1 ) Het molecuul kan bijvoorbeeld gehydrolyseerd worden. Dan wordt het niet-giftige molecuul in Afbeelding 1c verkregen. 2) Het molecuul kan ook weer geoxideerd worden, dan krijg je het water oplosbare molecuul in Afbeelding 1b weer wat makkelijk uitgeplast wordt en daardoor snel het lichaam verlaat. 3 ) Het molecuul kan tenslotte echter ook in een aantal stappen een dehydrogenatie ondergaan wat uiteindelijk resulteert in het molecuul afgebeeld in Afbeelding 1d. Dit molecuul en alle moleculen die in de tussenstappen van het dehydrogenatie proces gevormd worden zijn erg giftig. Dit komt doordat ze makkelijk met allerlei andere stoffen in het lichaam kunnen reageren en hierdoor cellen kunnen beschadigen. Zo kunnen deze moleculen zich bijvoorbeeld aan DNA binden en hierdoor genen beschadigen. Het molecuul in Afbeelding 1d is een voorbeeld van een dehydro-PA, in dit geval dehydroheliotrine. Dit is het meest stabiele eindprodukt en kan daarom in bloed of weefsel samples aangetoond worden. De moleculen tijdens de tussenstappen van de dehydrogenatie ontstaan kunnen echter niet aangetoond worden omdat ze snel omgezet worden.

 
 
 1a

 
 
1b
 

 1c

1d
 
In samenwerking met Merijn Roos (dierenarts aan de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht.)
 
Stewart, M. J. & V. Steenkamp. 2001. Pyrrolizidine poisoning: a neglected area in human toxicology. Therapeutic Drug Monitoring 23: 698-708.

 



 

Jakobskruiskruidvergiftiging, hoe werkt dat?

Door: Esther Hegt enDr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007


Jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) en alle andere in Nederland voorkomende Kruiskruiden (Family Asteraceae; Tribus Senecioneae) bevatten inhoudstoffen die giftig zijn voor de meeste zoogdieren en insecten (1-3). Deze inhoudstoffen worden pyrrolizidine alkaloïden (PA’s) genoemd. Naast Kruiskruiden bevatten ook veel andere planten PA’s: deze stoffen zijn aangetroffen in meer dan 6000 plantensoorten (3% van alle bloemplanten; 7, 23, 25). Een PA vergiftiging kan optreden als dieren verse of gedroogde planten eten die PA’s bevatten. Omdat verse Kruiskruiden een afstotende smaak en geur hebben, zullen ze meestal niet gegeten worden (4-12) tenzij een gebied overbegraasd wordt of er weinig ander groen te eten is (7). Maar in gedroogde planten is deze smaak en geur echter veel minder sterk en daardoor herkennen dieren Kruiskruiden niet altijd als giftig (6, 7). Hierdoor kan met name hooi en kuilvoer dat Kruiskruiden bevat een risico vormen (7, 13).


Hoe kun je een PA vergiftiging herkennen?


De verschijnselen van PA vergiftiging zijn niet erg specifiek en zijn ondermeer vermagering, slechte eetlust, sloomheid, slechte vacht, korsten, met name op de kroonrand (paard), gele slijmvliezen en zenuwverschijnselen (wankele gang, cirkelbewegingen, bewustzijnsvermindering, opgewonden/paniekerig gedrag (7, 14-19). Deze symptomen tonen vaak alleen aan dat er sprake van schade aan de lever is wat vele oorzaken kan hebben zoals ondermeer geboorteafwijkingen, ontstekingen die door bacteriën en virussen veroorzaakt zijn en parasieten, maar deze leverschade kan ook door andere PA bevattende planten dan Jakobskruiskruid veroorzaakt zijn (20, 21). Alleen als een dier relatief grote hoeveelheden PA bevattende planten eet zullen de symptomen van PA vergiftiging zichtbaar zijn. Exacte hoeveelheden zijn onbekend, maar worden geschat op 1 tot 10% van het lichaamsgewicht van een dier (14, 15, 22). Een paard van 500 kilo zou dus tussen de 250 en 2500 volgroeide Jakobskruiskruid stengels moeten eten om ziekteverschijnselen te laten zien. Als dit in een relatief korte tijd gebeurt resulteert dit in acute PA vergiftiging, maar in de meeste gevallen is er sprake van het eten van kleinere hoeveelheden gedurende een langere periode, dit wordt chronische PA vergiftiging genoemd. Omdat PA’s meestal binnen 24 tot 48 uur het lichaam weer verlaten (7, 23-25) kunnen deze giftige stoffen alleen in bloed en weefsel samples aangetroffen worden als deze kort na het eten van PA bevattende planten genomen worden (28). Een bioptie of sectie kan echter leverschade aantonen die vrij specifiek voor PA vergiftiging is (20, 21) en bloed samples kunnen bepaalde lever enzymen aantonen die op PA vergiftiging kunnen wijzen (28), maar omdat de meeste eigenaren van dieren zelden dit soort testen uit laten voeren (Gezondheidsdienst Voor Dieren, pers. comm.) wordt PA vergiftiging meestal aangenomen als symptomen van leverschade samen vallen met het aantreffen van Kruiskruiden in hooi of op het land waar de dieren gegraasd hebben. Hierdoor is het mogelijk dat gevallen van PA vergiftiging niet ontdekt worden of dat vergiftiging onterecht vastgesteld wordt en leverschade eigenlijk door andere factoren veroorzaakt is.

Hoe beschadigen PA’s de lever?


Zoals eerder genoemd kan PA vergiftiging veroorzaakt worden door zowel het eten van veel PA bevattende planten in een korte tijd als door het regelmatig eten van kleinere hoeveelheden gedurende een langere periode. Hoewel beide soorten PA vergiftiging (acute en chronische) tot leverschade kunnen leiden, hebben ze een verschillend effect op de lever (23-25). Acute vergiftiging resulteert in een aanmerkelijke mate van necrose in de lever. Necrose is een ongecontroleerde sterfte van cellen (7, 23, 25). De levercellen worden aan zo’n hoge concentratie PA’s blootgesteld dat ze in grote aantallen afsterven wat als gevolg heeft dat er veel dood weefsel in de lever ontstaat, het lichaam reageert vervolgens met een infectie en een dier wordt hierdoor erg ziek (23, 25). Niet alleen omdat de lever niet meer goed functioneert, maar ook omdat het ontstoken is. Afhankelijk van de mate van leverschade zal het dier sterven of herstellen (5, 26, 27). Gedurende het herstellen wordt het dode weefsel in de lever afgebroken en verwijderd door de ontstekingscellen. De beschadigde delen van de lever worden vervolgens opgevuld met bindweefsel, dit betekent dat een gedeelte van een normaal functionerende lever verwijderd is, het verlies van leverfunctie zal afhangen van hoe groot dit deel is geweest. Als het slechts om een klein deel van de lever gaat dan zal een dier geen ziekte verschijnselen laten zien, maar als het een aanmerkelijk deel van de lever betreft, dan zullen er duidelijke symptomen van leverschade zichtbaar zijn (16-19). In tegenstelling tot acute PA vergiftiging leidt chronische vergiftiging niet tot grootschalige necrose (23-25). Hoewel de levercellen die erg beschadigd zijn necrose zullen ondervinden, zal hun aantal relatief klein zijn als er slechts kleine hoeveelheden Kruiskruid gegeten werden, chronische vergiftiging zal daarom meestal niet tot lever ontstekingen leiden. De cellen die slechts licht beschadigd zijn zullen apoptose ondergaan (7, 23, 25). Dit is in tegenstelling tot necrose een gecontroleerde celdood. Deze cellen produceren stoffen die andere cellen laten weten dat ze beschadigd zijn en daardoor een risico voor gezonde cellen kunnen vormen omdat ze over kunnen gaan tot necrose of in tumor cellen kunnen veranderen zoals aangetoond is in onderzoek aan ratten en muizen (23, 25). Tijdens apoptose worden cellen afgebroken in gesloten blaasjes die door andere cellen worden opgenomen. Het belangrijk om hier te constateren dat apoptose dus niet tot lever ontsteking leidt. Zo lang er niet te veel cellen zijn die apoptose vertonen wordt het verlies van lever functie door andere cellen overgenomen en zal de lever gezond blijven. Er zullen dus geen symptomen van leverschade zichtbaar zijn en bloed samples zullen niet de lever enzymen vertonen die karakteristiek zijn voor PA vergiftiging. De verloren cellen worden vervangen door cellen die zich nog steeds kunnen delen en als levercellen slecht licht beschadigd zijn kunnen ze soms zelfs herstellen (26, 27). Samenvattend kunnen we dus stellen dat onder een bepaald niveau PA vergiftiging niet tot onherstelbare leverschade zal leiden. Als een dier dus PA bevattende planten eet dan zal het alleen ziek worden als het te veel planten binnen krijgt. In zulke gevallen compenseert de lever voor de verloren cellen en zullen er geen symptomen zichtbaar zijn, zelfs niet in bloed samples. Als grotere hoeveelheden PA bevattende planten gegeten worden is dit als eerste zichtbaar in bloed samples. Die zullen dan bepaalde lever enzymen vertonen die op PA vergiftiging kunnen wijzen. Vervolgens worden de symptomen van leverschade duidelijk. Het is op dit moment niet duidelijk hoe veel PA’s een dier moet binnen krijgen om symptomen van vergiftiging te gaan vertonen, maar die zal per diersoort en individu verschillen (16-19). In zeer ernstige gevallen van PA vergiftiging laten bloed samples de karakteristieke lever enzymen niet zien, omdat er zo veel cellen beschadigd zijn, dat er niet genoeg cellen meer zijn om deze enzymen aan te maken.


De omzetting van de PA’s Lees verder


In samenwerking met Merijn Roos (dierenarts aan de Faculteit Diergeneeskunde te Utrecht.)

referenties;

(1) Schneider, D. 1987. The strange fate of pyrrolizidine alkaloids. In: Chapman, R. F., E. A. Bernays & J. G. Stoffolano (Eds.). Perspectives in
chemoreception and behavior: Springer, Berlin/Heidenberg. 123-142.
(2) Boppré, M. 1986. Insects pharmacophagously utilizing defensive plant chemicals (pyrrolizidine alkaloids). Naturwissenschaften 73: 17-26.
(3) Macel, M. 2003. On the evolution of the diversity of pyrrolizidine alkaloids. The role of insects as selective forces. Thesis Leiden University.
4) Giles, C. J. 1983. Outbreak of ragwort (_Senecio jacobaea_) poisoning in horses. Equine Veterinary Journal 15: 248-250.
(5) De Lanux-Van Gorder, V. 2000. Tansy ragwort poisoning in a horse in southern Ontario. Can. Vet. J. 41: 409- 410.
(6) Gardner, D. R., M. S. Thorne, R. J. Molyneux, J. A. Pfister & A. A. Seawrigh. 2006. Pyrrolizidine alkaloids in _Senecio madagascariensis_ from
Australia and Hawaii and assessment of possible livestock poisoning. Biochemical Systematics and Ecology 34: 736-744
(7) European Food Safety Authority. 2007. Opinion of the Scientific Panel on contaminants in the food chain on a request from the European Commission
related to Pyrrolizidine alkaloids as undesirable substances in animal feed. The EFSA Journal 447: 1-51.
(8) Bain, J. F. 1991. The biology of Canadian weeds. 96. _Senecio jacobaea_ L. Canadian Journal of Plant Science. 71: 127-140.
(9) Poole, A. L. & D. Cairns. 1940. Botanical aspects of Ragwort (_Senecio jacobaea L_.) control. Department of Scientific and Industrial Research
Bulletin 82: 2-61.
(10) Harper, J. L. & W. A. Wood. 1957. _Senecio jacobaea L_. The Journal of Ecology 45: 617-637.
(11) Cosyns, E. 2004. Ungulate seed dispersal. Aspects of endozoochory in a semi-natural landscape. Institute of Nature Conservation, Brussels.
(12) Dean R. E. & A. H. Winward. 1974. An investigation into the possibility of tansy ragwort poisoning of black- tailed deer. Journal of Wildlife
Diseases 10: 166-169.
(13) Candrian, U., J. Luthy, P. Schmid, Ch. Schlatter & E. Gallasz. 1984. Stability of pyrrolizidine alkaloids in hay and silage. J. Agric. Food Chem.
39: 930-933
(14) Goeger, D. E., P. R. Cheeke, J. A. Schmitz & D. R. Buhler. 1982. Toxicity of tansy ragwort (_Senecio jacobaea_) to goats. Am. J. Vet. Res.
43: 252-254.
(15) Molyneux R. J., Johnson, A. E.& L. D. Stuart. 1988. Delayed manifestation of Senecio-induced pyrrolizidine alkaloidosis in cattle: case
reports. Vet. Hum. Toxicol. 30: 201-205.
(16) Craig, A. M., E. G. Pearson, C. Meyer & J. A. Schmitz. 1991. Serum liver enzyme and histopathologic changes in calves with chronic and
chronic-delayed _Senecio jacobaea_ toxicosis. Am. J. Vet. Res. 52: 1969-1978.
(17) Odriozola, E., C. Campero, A. Casaro,T. Lopez, G. Olivieri & O. Melucci. 1994. Pyrrolizidine alkaloidosis in Argentinan cattle caused by
_Senecio selloi_. Vet. Hum. Tox. 36: 205-208.
(18) Johnson, A. E. & R. A. Smart 1983. Effects on cattle and their calves of tansy ragwort (_Senecio jacobaea_) fed in early gestation. Am. J. Vet.
Res. 44: 1215-1219
(19) Tilt, S.E. 1969. Ragwort toxicosis in a heifer. Can. Vet. J. 10: 302-306.
(20) Durham A. E., J. R. Newton,K. C. Smith, M. H. Hillyer, L. L. Hillyer, M. R. Smith, & C. M. Marr. 2003. Retrospective analysis of historical,
clinical, ultrasonographic, serum biochemical and haematological data in prognostic evaluation of equine liver disease. Equine Vet. J. 35: 542-547.
(21) DEFRA/AHT/BEVA. 2004. Department for Environment, Food and Rural Affairs Engeland. Equine Quarterly Disease Surveillance Report. Pilot Issue:
Focus on equine liver disease 7-9.
(22) Vos, J. H., A. A. J. Geerts, J. W. Borgers, M. H. Mars, J. A. M. Muskens & L. A. van Wuijckhuise-Sjouke. 2002. Jacobskruiskruid: bedrieglijke
schoonheid. Tijdschr. Diergeneesk. 127: 753-756.
(23) Fu, P. P., Q. Xia, G. Lin & M. W. Chou. 2004. Pyrrolizidine alkaloids – Genotoxicity, metabolism enzymes, metabolic activation, and mechanisms. Drug
Metabolism Reviews 36: 1-55.
(24) Stewart, M. J. & V. Steenkamp. 2001. Pyrrolizidine poisoning: a neglected area in human toxicology. Therapeutic Drug Monitoring 23: 698-708
(25) Chojkier, M. 2003. Hepatic sinusoidal-obstruction syndrome: toxicity of pyrrolizidine alkaloids. Journal of Hepatology 39: 437-446.
(26) Czaja, M. 1998. Liver growth growth and repair. Chapman en Hall London. ISBN 0412 71260.
(27) Lessard, P., W. D. Wilson, H. J. Olander, Q. R. Rogers, & V. E. Mendel. 1986. Clinicopathologic study of horses surviving pyrrolizidine alkaloid
(_Senecio vulgaris_) toxicosis. Am. J. Vet. Res. 47: 1776-1780.
(28) Roeder, E. & Pflueger, T. (1995). Analysis of pyrrolizidine alkaloids: a competitiveenzyme-linked immunoassay (ELISA) for the quantitative
determination of some toxic pyrrolizidine alkaloids. Nat. Toxins 3:305-309.

Een hapje kan geen kwaad?

Wordt mijn paard ziek als het af en toe een hapje Kruiskruid binnen krijgt?

Door: Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2006

Jakobskruiskruid en alle andere in Nederland voorkomende kruiskruiden bevatten inhoudsstoffen die bij inname giftig zijn voor de meeste gewervelde dieren en insecten (1) Deze stoffen heten pyrrolizidine alkaloïden. De pyrrolizidine alkaloïden die kruiskruiden bevatten worden na inname al na 24 tot 48 uur uitgescheiden (2) en hopen zich dus niet in het lichaam op, zoals soms gedacht wordt (1, 2). Toch kunnen pyrrolizidine alkaloïden in de korte tijd dat ze in een lichaam aanwezig zijn de gezondheid van een dier aantasten. Pyrrolizidine alkaloïden zijn in de vorm waarin ze zich in de plant bevinden in principe niet giftig voor dieren, maar kunnen na inname door chemische processen in de dunne darm en de lever omgezet worden in een vorm die vooral de lever kan beschadigen, maar ook in mindere mate de nieren en longen (1. 3) zie Jakobskruiskruidvergiftiging, hoe werkt dat? over de giftige werking van pyrrolizidine alkaloïden en de gevolgen van kruiskruidvergiftiging. Kruiskruidvergiftiging kan uiteindelijk de dood als gevolg hebben, maar kan één hapje al kwaad? Het antwoord op deze vraag hangt af van hoe je ‘kwaad’ definieert.

Eén hapje Jakobskruiskruid kan er al ervoor zorgen dat levercellen afsterven. Hierdoor kan herhaalde opname van de giftige stoffen de lever zo beschadigen dat deze niet meer optimaal kan functioneren. Dit heeft de verschijnselen van een leverziekte als gevolg en kan uiteindelijk tot de dood leiden. (1, 3) Er wordt geschreven dat een dieet waarin 1-2% kruiskruid aanwezig is op termijn al letaal kan zijn (4). Deze werking wordt ‘cumulatief’ genoemd: elk hapje telt en brengt de dood een stap dichterbij. Hoewel kruiskruidvergiftiging de lever dus op een onomkeerbare manier kan beschadigen, is het effect van deze beschadiging op de gezondheid van een dier niet altijd onomkeerbaar.(5, 6, 7) Tot op zekere hoogte kan de functie van de afgestorven lever cellen namelijk overgenomen worden door andere levercellen.  Als de aangebrachte schade echter te groot is, dan is dit niet meer mogelijk en als de levercapaciteit met 50-70% is afgenomen ontstaan er verschijnselen van leverziekte. Het is dus erg belangrijk om een goed beeld te krijgen van hoe hoog de drempel ligt. Met andere woorden: hoeveel kruiskruid kan een dier eten zonder dat dit op korte of lange termijn een effect heeft op zijn gezondheid? Er is hier echter nog veel onduidelijkheid over. Er wordt bijvoorbeeld geschreven dat een hoeveelheid van 50 en 200 gram gedroogd Jakobskruiskruid per kilo lichaamsgewicht dodelijk is (8, 9, 10) voor een paard maar het is niet duidelijk over welke termijn deze inname plaats moet vinden om letaal te zijn.

Conclusie: Kan één hapje kruiskruid al kwaad?: Ja, het kan de lever beschadigen. Heeft één hapje kruiskruid een effect op de gezondheid van een dier?: Nee, tenzij dit frequent over een langere termijn plaatsvindt.

Referenties :

(1) Fu, P. P., Q. Xia, G. Lin & M. W. Chou. 2004. Pyrrolizidine alkaloids – Genotoxicity, metabolism enzymes, metabolic activation, and mechanisms. Drug Metabolism Reviews 36: 1-55.

(2) Stewart, M. J. & V. Steenkamp. 2001. Pyrrolizidine poisoning: a neglected area in human toxicology. Therapeutic Drug Monitoring 23: 698-708.

(3) Chojkier, M. 2003. Hepatic sinusoidal-obstruction syndrome: toxicity of pyrrolizidine alkaloids. Journal of Hepatology 39: 437-446.

(4) Vos, J. H., A. A. J. Geerts, J. W. Borgers, M. H. Mars, J. A. M. Muskens & L. A. van Wuijckhuise-Sjouke. 2002. Jacobskruiskruid: bedrieglijke schoonheid. Tijdschr. Diergeneesk. 127: 753-756.

(5) De Lanux-Van Gorder, V. 2000. Tansy ragwort poisoning in a horse in southern Ontario. Can. Vet. J. 41: 409- 410.

(6) Lessard, P., W. D. Wilson, H. J. Olander, Q. R. Rogers, & V. E. Mendel. 1986. Clinicopathologic study of horses surviving pyrrolizidine alkaloid(Senecio vulgaris) toxicosis. Am. J. Vet. Res. 47: 1776-1780.

(7) Czaja, M. 1998. Liver growth growth and repair. Chapman en Hall London. ISBN 0412 71260.

(8) Goeger, D.E., P.R. Cheeke, J.A. Schmitz & D.R. Buhler (1982). Toxicity of tansy ragwort (Senecio jacobaea) to goats. Am. J. Vet. Res. 43(2):252-254.

(9) Molyneux R. J., Johnson, A. E.& L. D. Stuart. 1988. Delayed manifestation of Senecio -induced pyrrolizidine alkaloidosis in cattle:case reports. Vet. Hum. Toxicol. 30: 201-205

(10) European Food Safety Authority. 2007. Opinion of the Scientific Panel on contaminants in the food chain on a request from the European Commissionrelated to Pyrrolizidine alkaloids as undesirable substances in animal feed. The EFSA Journal 447: 1-51.

Eten paarden vaak vers kruiskruid, of zijn het uitzonderingen

Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007

Eten paarden vaak verse Jakobskruiskruid planten?

Jakobskruiskruid bevat net als alle andere in Nederland voorkomende Kruiskruiden (Tribus Senecioneae, Familie Asteraceae) pyrrolizidine alkaloïden van het senecionine type. Deze stoffen zijn giftig voor de meeste gewervelde dieren en insecten (1, 2, 3). De vergiftiging vindt plaats doordat paarden de planten in gedroogde of verse vorm eten (4, 5 ). Onderzoek toont aan dat Jakobskruiskruid planten in gedroogde vorm hun giftigheid gedurende lange tijd kunnen behouden (6, 7, 8, 9). Paarden herkennen Jakobskruiskruid in gedroogde vorm niet als giftig en alkaloïden vergiftiging kan dus optreden als Jakobskruiskruid terecht komt in hooi en kuilvoer dat voor consumptie bedoeld is ( 7, 8 ). Jakobskruiskruid planten maken soms deel uit van de flora die wordt aangetroffen in gebieden waar paarden gehouden worden. Dit brengt het mogelijke risico met zich mee dat de levende planten door paarden gegeten worden. Er bestaat echter veel onduidelijkheid over de mate waarin dat gebeurt.

Verschillende bronnen melden dat paarden levende Jakobskruiskruid planten eten.

Verschillende bronnen melden dat paarden levende Jakobskruiskruid planten eten (4, 5, 10, 11, 12, 13, 14). Er bestaat echter veel onduidelijkheid over de frequentie waarop dit gebeurt. Met name op webfora en in de populaire media wordt door paardenhouders de zorg uitgesproken dat vergiftiging door het eten van verse planten een groot probleem is dat tot veel sterfte onder paarden leidt (10, 11, 12, 13, 14). Vaak wordt de overheid in deze media opgeroepen om in te grijpen en de plant actief te bestrijden en/of door middel van wetgeving landeigenaren te dwingen om Jakobskruiskruid planten te verwijderen uit gebieden waar paarden gehouden worden.(15, 16)

Andere bronnen, veelal artikelen in internationale wetenschappelijke tijdschriften, melden dat paarden levende Jakobskruiskruid planten doorgaans als giftig herkennen.

Andere bronnen, veelal artikelen in internationale wetenschappelijke tijdschriften, melden dat paarden levende Jakobskruiskruid planten doorgaans als giftig herkennen en slechts in uitzonderlijke gevallen of tijdens voedselschaarste eten (4, 5, 7, 8, 17, 18, 19, 20). Deze conclusie wordt door sommige paardenhouders echter in twijfel getrokken en krijgt in een artikel in het paardenblad Bit zelfs het label ‘pseudowetenschap’ opgeplakt (14). Naar onze mening wordt dit wantrouwen gevoed door meldingen van paardenhouders die waar hebben genomen dat hun eigen paarden de planten in verse vorm eten.

Wellicht geven de meldingen van paardenhouders aan dat de wetenschappelijke opinie m.b.t. het eten van levende Jakobskruiskruid planten door paarden aangepast moet worden. Om dit te bepalen is het noodzakelijk dat paardenhouders gevallen waarin paarden de verse planten eten op een verifieerbare manier documenteren. Dit is bijvoorbeeld belangrijk om vast te kunnen stellen of de plant die gegeten wordt inderdaad Jakobskruiskruid is en niet verward is met een andere plantensoort. Naar onze mening is dit uiterst belangrijk, omdat wij in het afgelopen jaar via de KruiskruidForum.nl (21) website, pers (16) en persoonlijke email vele malen foto’s van planten onder ogen hebben gekregen waarvan door de eigenaar vermoed werd dat het Jakobskruiskruid betrof, maar waarvan bleek dat het om andere planten soorten ging. De correcte identificatie van Jakobskruiskruid blijkt niet alleen bijzonder moeilijk voor de meeste mensen te zijn als de plant zich in het rozetstadium bevindt, maar ook in het bloeistadium wordt de plant regelmatig verward met andere geel-bloemige leden van de Paardenbloemfamilie (Asteraceae).
(Elders op deze website zijn folders gemaakt door de eerste auteur, te downloaden die het doel hebben om het herkennen van Jakobskruiskruid makkelijker te maken.)
Wij roepen daarom op om planten waarvan vermoed wordt dat het Jakobskruiskruid is in zijn geheel te verwijderen en te drogen. Op deze manier kan later door een plantenexpert vastgesteld worden of het inderdaad om Jakobskruiskruid gaat. Indien gewenst kan de plant op gestuurd worden (zie handleiding planten drogen en opsturen) naar de schrijvers zodat gevallen waarin Jakobskruiskruid vers gegeten wordt, na verificatie, centraal gedocumenteerd kan worden. Foto’s van vermoedelijke Kruiskruiden kunnen ook ter identificatie naar ons toe gestuurd worden. Het verzamelen van Jakobskruiskruid planten die door paarden vers gegeten worden is niet alleen belangrijk om de identificatie van de planten op een later moment te kunnen verifieren maar ook om door middel van aantoonbare vraatschade ‘bewijs’ te verzamelen dat die planten ook daadwerkelijk gegeten worden.

Referenties;


(1) Schneider, D. 1987. The strange fate of pyrrolizidine alkaloids. In: Chapman, R. F., E. A. Bernays & J. G. Stoffolano (Eds.). Perspectives in
chemoreception and behavior: Springer, Berlin/Heidenberg. 123-142.
(2) Boppré, M. 1986. Insects pharmacophagously utilizing defensive plant chemicals (pyrrolizidine alkaloids). Naturwissenschaften 73: 17-26.
(3) Macel, M. 2003. On the evolution of the diversity of pyrrolizidine alkaloids. The role of insects as selective forces. Thesis Leiden University.
(4) Giles, C. J. 1983. Outbreak of ragwort (Senecio jacobaea) poisoning in horses. Equine Veterinary Journal 15: 248-250.
(5) De Lanux-Van Gorder, V. 2000. Tansy ragwort poisoning in a horse in southern Ontario. Can. Vet. J. 41: 409-410.
(6) Pelser, P. B., H. de Vos, C. Theuring, T. Beuerle, K. Vrieling & T. Hartmann, 2005. Frequent gain and loss of pyrrolizidine alkaloids in the
evolution of Senecio sect. Jacobaea (Asteraceae). Phytochemistry 66: 1285-1295.
(7) Gardner, D. R., M. S. Thorne, R. J. Molyneux, J. A. Pfister & A. A. Seawrigh. 2006. Pyrrolizidine alkaloids in Senecio madagascariensis from
Australia and Hawaii and assessment of possible livestock poisoning. Biochemical Systematics and Ecology 34: 736-744
(8) European Food Safety Authority. 2007. Opinion of the Scientific Panel on contaminants in the food chain on a request from the European Commission
related to Pyrrolizidine alkaloids as undesirable substances in animal feed. The EFSA Journal 447: 1-51.
(9) Candrian, U., J. Luthy, P. Schmid, Ch. Schlatter & E. Gallasz. 1984. Stability of pyrrolizidine alkaloids in hay and silage. J. Agric. Food Chem.
39: 930-933.
(10) Smith, D. October – and Ragwort is Killing our Horses. Ragwort-UK Ltd
(11a)(11b) Ragwort Facts. Information on Common Ragwort from a factual perspective.
(12) Bokt Paardenforum.
(13) Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. 2006. Inspectiedienst waarschuwt voor Jakobskruiskruid.
(14) Bröckotter, F. 2006. De opmars van Jakobskruiskruid. Natuurbeheer brengt paarden in gevaar. Bit 137: 108-111.
(15) Siemens. H. 2004. Van mij zou vleesvee geen natuurhooi krijgen. Boerderij, Vleesvee 89: 8-9.
(16) LTO Alarm om opmars Jakobskruiskruid. Telegraaf 23-07-2007.
(17) Bain, J. F. 1991. The biology of Canadian weeds. 96. Senecio jacobaea L. Canadian Journal of Plant Science. 71: 127-140.
(18) Poole, A. L. & D. Cairns. 1940. Botanical aspects of Ragwort (Senecio jacobaea L.) control. Department of Scientific and Industrial Research
Bulletin 82: 2-61.
(19) Harper, J. L. & W. A. Wood. 1957. Senecio jacobaea L. The Journal of Ecology 45: 617-637.
(20) Cosyns, E. 2004. Ungulate seed dispersal. Aspects of endozoochory in a semi-natural landscape. Institute of Nature Conservation, Brussels.
(21) Determinatietopic Planten KruiskruidForum Het KruiskruidForum is inmiddels gesloten