Categoriearchief: weide, equiculture,ecologie

Hoefbevangenheid (Laminitis)

Door Esther Hegt 2006

De Engelse term laminitis is een goede term voor de aandoening die in het Nederlands bekend staat onder de naam hoefbevangenheid (HB). De laminae, dwz. de verschillende lamellen waaruit de hoefwand is opgebouwd, zijn ontstoken, ongeacht de oorzaak.
Samen met het geproduceerde hoorn vormen deze laminae de hoefschoen. Deze hoefschoen heeft een groot aantal functies, zoals schokabsorptie en bescherming van onderliggende structuren (hoefbeen, straalbeen, straalbeenbeurs, hoefgewricht en aanhechting van de diepe buigpees). Bij laminitis is een verstoring van de anatomisch complexe verbinding tussen hoefwand en hoefbeen op het niveau van de laminae opgetreden, wat in een ernstige kreupelheid resulteert. Doordat het hoefbeen als het ware in de hoefschoen zinkt of zelfs kantelen kan, gaat het paard te veel gewicht nemen op de gevoelige punt of op de zoolvlakte van het hoefbeen. Beide structuren zijn eigenlijk niet bedoeld als gewichtsdrager.
Het is daarom te begrijpen dat HB in het algemeen een extreem pijnlijke aandoening van de voeten van een paard is. In principe kan ieder paard het krijgen, maar vooral lijken pony’s gevoelig. Er zijn vele oorzaken voor HB, één daarvan ziet men vaak in het voorjaar en in de zomermaanden (1).

HB kan van een acute kreupelheid aan een of meerdere voeten overgaan in een chronische kreupelheid met irreversibele schade aan de hoefstructuur.
Het is een aandoening die mogelijk een gevolg is van de domesticatie van het paard. Risicofactoren zijn krachtvoer en gestressed gras (oa. door de fructanen). Vroeger was er bij zware trekpaarden ook een mechanische overbelasting van de voet bekend, door lange tochten op harde bodem, tegenwoordig wordt HB eerder opgewekt door voeding. De nieuwste theorieen proberen een overeenkomst met diabetes van dikke mensen vast te stellen. De mogelijke ontsteking van de lamellen zou veroorzaakt worden door in het verloop van diabetes optredende vaatwandontstekingen.

Sinds de oertijd worden de overlevingsstrategien van het paard steeds minder aangesproken , hoewel nog steeds bepaalde stofwisselingsprocessen van langgeleden actief zijn.. Paarden n.l. zijn toegerust met een spijsverteringsstelsel dat hen in staat stelt om te overleven op een seizoensgebonden variabel voedselaanbod. Modern management heeft de periodes van seizoensgebonden hongerlijden doen verdwijnen, en heeft hierdoor geleid tot vetzucht en predispositie voor een veelheid aan metabole aandoeningen, waaronder hoefbevangenheid (2). Daarom is HB min of meer een welvaartsziekte. Overigens zijn er ook andere en beter begrijpbare factoren die HB veroorzaken, zoals de vergiftiging die ontstaat als de nageboorte niet van een merrie afkomt. Ook bij koliek met ernstige darmschade of bij bepaalde vergiftigingen treedt HB op.

Klinische symptomen.

Acute tekenen van HB zijn meestal te zien 24-72 uur na het begin van het ziekteproces, met name door een kortdurend toxisch insult, zoals bv. na het eten van een grote hoeveelheid graan, of bij ernstige koliek, die met darmafsluiting gepaard gaat. Bij alle patienten in de acute fase wordt een duidelijk kloppen van de bloedvaten in de kootholte waargenomen, soms zelf tot op de kogel. De voeten zijn overduidelijk te warm en het paard staat vaak met naar voren gestrekte voorbenen. De dierenarts kan gevoeligheid vaststellen bij het testen met de hoeftang, vooral vlak voor de punt van de straal. Door de pijn willen de patienten graag liggen, en in de acute fase moet men dat ook niet tegengaan.
Bij chronische HB varieert de kreupelheid van een min of meer stijve gang tot een totale weerzin tegen bewegen. Afhankelijk van de duur van de aandoening zijn er paarden met normale voeten of afwijkende voeten. Als de verbinding tussen hoefwand en hoefbeen losgelaten heeft, bestaat de mogelijkheid dat het hoefbeen gekanteld is, en daardoor met zijn punt op de zool drukt.
Naarmate de chronische HB langer bestaat, zijn er op de hoef groeiringen te zien, die niet evenwijdig aan elkaar lopen, maar door verschil in groeisnelheid van de hoorn in de hiel t.o.v. de teen, naar beneden toe divergeren. Van opzij gezien krijgt de voorkant van de hoef een opvallende holle vorm. Bij aantasting van de voorvoeten zal het paard , om de pijnlijke voorvoeten te ontlasten, de achterbenen ver onder het lichaam plaatsen, en de voorbenen gestrekt vooruit om belasting van de voeten zoveel mogelijk te vermijden. Hoefbevangen paarden liggen veel, zeker als alle vier de voeten in het proces betrokken zijn. Bij onderzoek van de zool kan er een uitstulping van de hoeflederhuid door de zool te vinden zijn voor de punt van de straal, en als gevolg daarvan vaak abcessen die de hele zool ondermijnen. Verder is er een verbrede witte lijn te zien. (3)

Behandeling is gericht op pijnvrijheid en het bevorderen van voeten die er normaal uitzien en ook als zodanig kunnen functioneren. (4)
Zoals duidelijk moet zijn is vookomen het allerbeste. Dus voeding en arbeid moeten op elkaar afgestemd zijn. Vetzucht mag niet ontstaan en oude paarden met Cushing moeten behandeld worden omdat vooral deze dieren reeds een gestoorde suikerstofwisseling hebben en daardoor een kans van 1 op 3 lopen om HB te ontwikkelen.
Bij acute HB moet zeer actief door de dierenarts gehandeld worden om de schade zoveel mogelijk binnen de perken te houden. Sterke pijnstillers behoren daarbij tot het standaardpakket, vooral ook om hun ontstekingsremmend effect. Voortvarende en kundige hoefzorg is van essentieel belang. Moet men wachten op de dierenarts dan zijn de hoeven met koud water af te koelen. Nog beter is om het paard op nat zand of in de diepe modder te zetten. HB is een ernstige zaak en moet zo snel mogelijk kundig behandeld worden om ergere schade te voorkomen.

Referenties:

(1) Hinckley, K.A. and Henderson, I.W.(1996) The epidemiology of equine
laminitis in the U.K. In : Proceedings of the 35th Annual Congress of
British Veterinary Association, Equine Veterinary Journal Ltd, Newmarket. P 62
(2) Johnson, P.J., Messer,N.T., Ganjam, V.K.(2004)Cushing’s syndrome,
insulin resistance and endocrinopathic laminitis. Equine Vet. J.36, 194-198
(3) Hood, D.M.(1999) Laminitis in the horse. Vet.Clin.N.Am.: Equine Pract.,
15, 287-293, 437-463
(4) O’Grady, S.E. (2003) How to restore alignment of P3 in horses with
chronic laminitis. Proc.Am.Ass.equine Practnrs. 45,115

Paardenweides en Jakobskruiskruid,hoe is het te voorkomen en hoe kom je er af?

Jakobskruiskruid en paardenweides

Door: Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) met dank voor de adviezen aan Lex van de Weerd, graslandspecialist (Barenbrug Holland B.V.) 2007

Jakobskruiskruid is een veel voorkomend en lastig te bestrijden wilde plant en een mogelijk risico op land waar vee en paarden grazen. Jakobskruiskruid is inheems in Europa en westelijk Azië. De plant groeit gewoonlijk op open verstoorde plaatsen, in schrale paardenweides en in gebieden die teruggegeven zijn aan de natuur en verschralen. Jakobskruiskruid bevat net als alle andere in Nederland voorkomende Kruiskruiden (Tribus Senecioneae, Familie Asteraceae) pyrrolizidine alkaloïden van het senecionine type. Deze stoffen zijn giftig voor de meeste gewervelde dieren en insecten (1,2,3).

Jakobskruiskruid is een tweejarige plant. In het eerste jaar groeien de rozetten. Deze zijn het hele jaar door te vinden.

Jakobskruiskruid bloeit meestal in het tweede jaar (Juni tot Oktober), maar de bloei kan na beschadiging van de plant door maaien of vraat ook uitgesteld worden. Nadat de plant zaden gevormd heeft, sterft hij. Paarden herkennen Jakobskruiskruid in gedroogde vorm niet als giftig en alkaloïden vergiftiging kan dus optreden als Jakobskruiskruid terecht komt in hooi dat voor consumptie bedoeld is. (4) Levende Jakobskruiskruid planten worden slechts in uitzonderlijke gevallen of tijdens voedselschaarste gegeten (3, 5, 6, 7, 8).

Jakobskruiskruid is een lastig te bestrijden plant

Als Jakobskruiskruid zich eenmaal in een paardenweide gevestigd heeft, is het erg lastig om de plant te bestrijden. Door voor een dichte graszode te zorgen kan de vestigingskans van Jakobskruiskruid verkleind worden. In een dichte zode kunnen de zaden van deze soort namelijk veel minder makkelijk kiemen (7,8). Het is echter niet altijd eenvoudig om in een paardenweide voor een goede dichte graszode te zorgen. Paarden lopen de bodembedekking gemakkelijk stuk, zeker in delen van de weide waar de dieren rennen, spelen en grazen.

Handmatig verwijderen

Het is niet eenvoudig om de plant te bestrijden door hem handmatig te verwijderen. Efficiënte handmatige verwijdering vereist het weghalen van de hele plant en alle wortels. Uit kleine wortelresten kunnen er weer nieuwe planten groeien. Handmatig verwijderen is over het algemeen alleen efficiënt bij zaailingen en rozetten, grotere planten zijn vaak te diep geworteld. Nadeel is het overnieuw verstoren van de grond en maakt het hiermee ook mogelijk eerder begraven zaad naar de oppervlakte brengen, waardoor het in een gunstiger positie komt om ook te ontkiemen. Jakobskruiskruid groeit snel terug na het snijden of maaien, vaak binnen een paar weken. Vaak komen er meerdere planten voor in de plaats(9).

Zaadvorming voorkomen, maaien.

Soms wordt geprobeerd om Jakobskruiskruid te bestrijden door te voorkomen dat de plant zaden vormt. het idee hier achter is, dat als Jakobskruiskruid zich niet voort kan planten, deze soort vanzelf uit de weide verdwijnt. Jakobskruiskruid is namelijk een plant met een korte levensduur. Helaas is ook deze methode niet zonder risico. In een natuurlijke situatie sterft Jakobskruiskruid na de bloei nadat de plant zaden geproduceerd heeft. ( 7, 8, 9). Het verwijderen van de bloemen of bloeiwijze of het afmaaien zorgt er echter voor dat de plant niet afsterft, maar juist opnieuw weer uitgroeit. Het verwijderen van de bloeiende delen van de plant heeft dus juist als gevolg dat de levensduur van de plant verlengd wordt. (7,8,9).

Herbiciden

Ook het gebruik van herbiciden ter bestrijding van Jakobskruiskruid geeft geen gegarandeerd succes.. Er is geen herbicide die in een keer alle kruiskruid aanpakt. De middelen die men gebruikt worden opgenomen door de bladeren en zo getransporteerd naar alle delen van de plant, omdat kruiskruiden een best groot volume kunnen hebben kan dat even duren (10,11,12,13). Belangrijk is dat de planten niet onder stress staan (bijv droogte of extreme temperaturen) het beste is om te spuiten als de plant actief groeit, dus bij goede weersomstandigheden. Spuiten met herbicide kan het beste gebeuren als het nog zaailingen of rozetten zijn. Spuiten heeft veel minder effect op volwassen planten.

Het gebruik van herbiciden is het meest effectief als de plant groeit. Selectieve herbiciden, zoals 2.4.D en MCPA doden geen gras en verdienen dus de voorkeur.

Strooizout

Soms wordt strooizout aanbevolen als bestrijdingsmiddel, maar dit is schadelijk voor de natuur en bodemleven ,de effecten ervan op Kruiskruid zijn niet voldoende bekend.,(23)

Kortom, het bestrijden van Jakobskruiskruid in een paardenweide is niet zo eenvoudig. Om te voorkomen dat kruiskruid zich uitbreidt of vestigt is de aanwezigheid van een constante goede dikke begroeiing van grassen en klaver vereist om te voorkomen dat de zaailingen zich kunnen ontwikkelen. Door voldoende bemesting zal de mat een gesloten begroeiing vormen, zorg ook dat het gras niet te veel wordt afgegraasd. Het kan ook voorkomen dat de Jakobskruiskruid druk zo hoog is dat er aanleiding is de hele weide te vernieuwen.

Voorkomen is beter dan genezen

Omdat het dus erg moeilijk kan zijn om Jakobskruiskruid te bestrijden, is het belangrijk om er voor te zorgen dat deze plant zich niet in de paardenweide kan vestigen. Goed weidebeheer is hierbij van het grootste belang (14,15,16,17).

Bodemvruchtbaarheid

Omdat een grasplant alleen goed groeit indien de bodemvruchtbaarheid op peil is, is het dus belangrijk om te weten hoe het met de vruchtbaarheid van de grond van een paardenweide gesteld is. Een goede hulp hierbij kan een bemestingsadvies zijn dat door een gespecialiseerd bedrijf opgesteld wordt aan de hand van grondmonsters. Zo’n rapport geeft, naast een weergave van de bestaande toestand in de bodem, ook bemestingsadviezen om de bodemvruchtbaarheid te handhaven of te verbeteren. Bemesting kan zorgen dat het gras in staat wordt gesteld om te concurreren met onkruiden. Het bevordert de groei van een dichte zode zodat een hoge loopschade beperkt blijft. Het voorkomt erosie en maakt een lange levensduur mogelijk (14,15,16,17).

Variatie in grassen

Naast de vruchtbaarheid van de bodem is het ook belangrijk om voor een goede grassamenstelling te zorgen. Er zijn speciale graszaadmengsels in de handel speciaal voor de paardenwei. Verschillende grassoorten hebben verschillende eigenschappen. Sommige grassoorten groeien bijvoorbeeld voornamelijk de hoogte in, andere groeien, al dan niet door middel van het vormen van uitlopers, in de breedte. Ook zijn er verschillen tussen grassoorten in de mate van regeneratie na beschadiging(18). Om een dichte, sterke grasbedekking te verkrijgen is het dus belangrijk een goede combinatie van grassoorten in te zaaien(18). Helaas wordt de keuze van grassoorten enigszins beperkt doordat niet alle grassen geschikt zijn voor paarden, bijvoorbeeld omdat ze teveel fructaan bevatten en daardoor een groter risico op hoefbevangenheid (15,17,19,20).

Roterend grazen is een goed uitgangspunt

Te kort gras en overbegrazing kunnen een weiland ongeschikt maken voor beweiding door paarden, met het risico dat zij bij het grazen teveel zand binnenkrijgen wat in de darmen tot problemen kan leiden wat zandkoliek genoemd wordt. Ook hebben op een te kort afgegraasde weide giftige planten vrij spel doordat zij zich bij voorkeur in de vrij open zode vestigen. Gras groeit vanuit het zogenaamde groeipuntje, (18) omdat paarden het gras erg kort af kunnen grazen is een grassoort met een wat lager groeipunt aan te bevelen. Gras dat te kort wordt afgegraasd moet heel veel energie steken in het herstel, het zal veel langer duren tot dit gras weer op de juiste hoogte is. In dit stadium maakt het gras onder deze stress veel fructaan (15,17,19,20). Veel paardeneigenaren van mening dat ‘kruiden’ weinig voedingswaarde bevatten en schraal zijn. Zij zijn verbaasd als hun paarden hoefbevangen raken op een wei die hoofdzakelijk onkruid en weinig gras bevat (21).

Voorkomen is gemakkelijker dan bestrijden.

Zelfs als de bodem vruchtbaar is en de grassamenstelling juist is, zal de grasmat door paarden beschadigd worden. Dit is in het bijzonder een probleem als er weinig weide-oppervlak per paard is, omdat hier het risico op overbegrazing en bodemverstoring groter is. Dit is te verkomen door de beschikbare grond in kleinere stukken te verdelen (14,16) Zo kunnen de paarden naar een ander deel van de weide verplaatst worden wanneer het gras te kort wordt of de bodem beschadigd raakt: roterend grazen. Dit geeft het begraasde deel van het weiland tijd om te herstellen. Het is aan te raden om het gras niet korter te laten worden dan 5-6 cm. Als het gras daarna weer een hoogte van 15-20 cm bereikt heeft, is het opnieuw geschikt voor begrazing (14,16,17). De stukken die kaal zijn kunnen bedekt worden met oud hooi of mest, (mulchen) wat nieuw gras de kans geeft om beter te groeien en voorkomt dat onkruiden zoals Jakobskruiskruid licht krijgen dat ze nodig hebben om te kunnen kiemen (8,9). Als er niet voldoende wei is om regelmatig te roteren, creëer dan een plek waar ze tijdelijk kunnen staan met hooi, totdat het grasland voldoende hersteld is. Roteer de paarden in groepen. Het is beter voor het paard dan elk paard alleen in een eigen stuk. Een paard is een sociaal dier dat contact nodig heeft met soortgenoten (22).

Referenties:

1 Schneider, D. 1987. The strange fate of pyrrolizidine alkaloids. In: Chapman, R. F., E. A. Bernays & J. G. Stoffolano (Eds.). Perspectives inchemoreception and behavior: Springer, Berlin/Heidenberg. 123-142.

2 Boppré, M. 1986. Insects pharmacophagously utilizing defensive plant chemicals (pyrrolizidine alkaloids). Naturwissenschaften 73: 17-26

3 Macel, M. 2003. On the evolution of the diversity of pyrrolizidine alkaloids. The role of insects as selective forces. Thesis Leiden University.

4 Vos, J. H., A. A. J. Geerts, J. W. Borgers, M. H. Mars, J. A. M. Muskens & L. A. van Wuijckhuise-Sjouke. 2002. Jacobskruiskruid: bedrieglijke schoonheid. Tijdschr. Diergeneesk. 127: 753-756.

5 Giles, C. J. 1983. Outbreak of ragwort (Senecio jacobaea) poisoning in horses. Equine Veterinary Journal 15: 248- 250.

6 Bain, J. F. 1991. The biology of Canadian weeds. 96. Senecio jacobaea L. Canadian Journal of Plant Science. 71: 127-140.

7 Poole, A. L. & D. Cairns. 1940. Botanical aspects of Ragwort (Senecio jacobaea L.) control. Department of Scientific and Industrial ResearchBulletin 82: 2-61.

8 Harper, J. L. & W. A. Wood. 1957. Senecio jacobaea L. The Journal of Ecology 45: 617-637.

9 Weeda E.J., R. Westra, CH. Westra & T. Westra. 1987. De Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties.

10 McLaren, D. & F. Mickan, 1997 The Ragwort Management Handbook. Department of Natural Resources and Environment. Melbourne.

11 McLaren, D & I Faitfull, 2004 Ragwort management. Department of Natural Resources and Environment. Melbourne.

12 Muyt, A. 2001. Bush invaders of south-east Australia. R.G. & F.J. Richardson, Meredith, Vic.

13 Parsons, W.T. & E.G. Cuthbertson, 2001. Noxious Weeds of Australia. 2nd Ed. Collingwood, CSIRO Landlinks Press Australia.

14 Myers, J. 2005. Managing Horses on Small Properties. CSIRO Landlinks Press Australia. website

15 Watts. K. 2007. Rocky Mountain Research and Consulting, Inc. 491 West CR 8 North Center, CO 81125

16 Horse Forage and Forage Management 1997-2007. The Samuel Roberts Noble Foundation, Inc

17 Waller, S. S., E. M. Lowel, L. E. Moser, G. A. Gates & P. E. Reece. 1985 Understanding Grass Growth: The Key to Profitable Livestock Production.

18 Pihlajamaa-Glimmerveen, L. E. 2006. Grassen de basis van onze beschaving.

19 Smith, D. 1973. Nonstructural Carbohydrates. Butler, G. W. & R. W. Bailey (Eds.). Chemistry and Biochemistry of herbage. Academic Press, London:1:105-155.

20 Veldman, F. H. M. & I. Kooistra. 2006. Fructaanpagina, Paard natuurlijk.

21 Watts, K. A. 2005. Unlikely sources of excess carbohydrate in equine diets. Journal of Equine Veterinary Science 25: 338-344.

22 Dierendonck van , M. C. 2006. The importance of social relationships in horses. Dissertation Utrecht University, Faculty of Veterinary Medicine.

23 SenterNovem-infobladen

Veel zaden,veel planten?

Zaadverspreiding Jakobskruiskruid

Door: Esther Hegt en Dr. Pieter B. Pelser ( University of Canterbury- Biological Sciences, Christchurch, New Zealand) 2007

Op internet (1,2,3) en in andere media (4,5) wordt de zorg uitgesproken dat Jakobskruiskruid algemener in Nederland aan het worden is en dat deze soort in steeds meer gebieden voor zal gaan komen waar het voorheen niet groeide. Daarnaast is er een roep om Jakobskruiskruid niet alleen in de paardenweide en de directe omgeving ervan te bestrijden, maar ook ver daarbuiten, omdat zaden via de wind grote afstanden af kunnen leggen en op deze manier alsnog in een paardenwei terecht kunnen komen. In deze context wordt regelmatig aangehaald dat een Jakobskruiskruid plant zo’n 200.000 zaden kan produceren en dat deze vele kilometers van de moederplant verspreid kunnen worden. Om beter te begrijpen welke factoren de verspreiding van Jakobskruiskruid beïnvloeden hebben we de literatuur er op nageslagen om de volgende vragen te beantwoorden:

• Hoe vindt de verspreiding van Jakobskruiskruid zaden plaats?

• Speelt de wind daar een even grote rol in als wordt aangenomen?

• Wordt ieder zaadje ook een volwassen plant?

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is moeraskkruiskruid-lint-en-buisbloemen.jpg
Foto @Pieter Pelser
Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is pappus-zaadpluis.jpg
Foto @Esther Hegt

Zaadverspreiding

Jakobskruiskruid bloeit vanaf ongeveer juni tot en met oktober en kan in die tijd tussen enkele honderden en zo’n 200.000 (6,7,8) zaden produceren. Grote planten hebben over het algemeen meer bloemen dan kleine planten en maken dus meestal meer zaden. De bloemen van Jakobskruiskruid zijn in ‘bloemhoofdjes’ geplaatst. Op het eerste gezicht lijken die bloemhoofdjes op individuele bloemen, maar als je beter kijkt dan kan je zien dat een bloemhoofdje uit tientallen bloemen bestaat die elk één vruchtje produceren dat één zaadje bevat (6). Net als bij de Paardenbloem zitten de vruchtjes aan een pluisje vast, dat pappus genoemd wordt. Dat kun je op de foto’s mooi zien. Het pappus bestaat uit ongeveer 60 haartjes van zo’n 6 mm, met daaraan weer kleine weerhaakjes (7,8). De functie van het pappus is om er voor te zorgen dat de zaden verspreid kunnen worden naar een plek waar ze kunnen kiemen en tot een volwassen plant uit kunnen groeien. Deze verspreiding kan op verschillende manieren gebeuren. Het pappus maakt het onder andere mogelijk dat de vruchten makkelijk door de wind meegevoerd kunnen worden. Daarnaast zorgen de weerhaakjes van het pappus ervoor dat de vruchten ook kunnen blijven plakken in de vacht of veren van dieren (7,8). Ook de mens kan door de plant als ‘vervoermiddel’ gebruikt worden. Treinen en auto’s zorgen voor windverplaatsing en zand dat voor de aanleg van infrastructuur of bebouwing gebruikt wordt komt vaak van elders en kan zaden van Jakobskruiskruid bevatten.

De efficiëntie van windverspreiding

Wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van windverspreiding van Jakobskruiskruid zaden toont aan dat de meeste zaden dichtbij de moederplant terecht komen. Slechts 0.5% van alle zaden die een plant produceert komt verder weg dan 25 meter (8,9). Hoewel elk van tot circa 200.000 zaden dus een kans heeft om ver van de moederplant verspreid te worden, zijn er in de praktijk maar een paar zaadjes die ook echt zover weg komen. Het merendeel van de vruchten landt niet verder weg dan slechts enkele meters van de moederplant (7,8). Het is echter belangrijk om je te realiseren dat er slechts één zaadje nodig is dat ver genoeg weg kan komen om het mogelijk te maken dat de soort zich naar een nieuw gebied kan uitbreiden.

Het lot van een zaadje

We weten dat een Jakobskruiskruidplant veel zaden kan produceren en dat een fractie van deze zaden een flinke afstand af kan leggen. Maar als al deze zaden tot een volwassen plant uit zouden groeien, dan zou Nederland al lang door een dicht tapijt van Jakobskruiskruid bedekt zijn (6). Onder gecontroleerde omstandigheden in een kas met de juiste luchtvochtigheid en temperatuur kan er zo’n 80 % van de zaden kiemen (6), maar in de natuur zijn de omstandigheden natuurlijk nooit zo ideaal als in een kas. De zaden moeten bijvoorbeeld maar net op een geschikt plekje terecht komen waar ze kunnen kiemen (6) . Het kan bijvoorbeeld te droog of te nat zijn of misschien is er te weinig licht om te kiemen. En zelfs als een zaadje ontkiemt, dan is het nog steeds maar de vraag of het lang genoeg leeft om tot een volwassen plant uit te groeien. Een kiemplantje moet namelijk met andere planten concurreren om licht en voedsel en alleen de sterkste planten overleven deze strijd. Een deel van de zaden krijgt een tweede kans als ze in het eerstvolgende groeiseizoen niet kunnen kiemen (9). Als deze zaden onder het grondoppervlak terecht komen, dan kunnen ze daar in kiemrust gaan; een soort winterslaap, zeg maar. In deze ‘zaadbank’ kunnen de zaden soms nog tien en wellicht zelfs tientallen jaren hun kiemkracht behouden (9). Zodra ze door het verstoren van de bodem aan de oppervlakte komen kunnen ze alsnog gaan kiemen (9).

Conclusie

Jakobskruiskruid planten kunnen erg veel zaden produceren, maar de meeste zaden blijven dicht bij de moederplant liggen. En zelfs als een enkel zaadje in een nieuw gebied terecht komt, dan is er maar een kleine kans dat deze het tot een volwassen plant zal schoppen. De stelling dat een plant 200.000 zaden kan vormen die elk tot kilometers ver terecht kunnen komen en er zo voor kunnen zorgen dat de soort zich in een korte tijd enorm kan uitbreiden moet dus sterk genuanceerd worden.

Bronvermeldingen

Deze pagina is geschreven in 2007, de links zijn verouderd en inactief gemaakt

(1) Ragwort Facts Dispersal website

(2) Socialistische Partij Drente website

(3) Kruiskruid.nl website 

(4) Algemeen Dagblad Groene hart

(5) Nieuwsblad BE website

(6) Van der Meijden, E. 1974. Zebrarupsen en Jacobskruiskruid. In: Cron Michielsen, N. (ed.),Meijendel.

Duin-water-leven: 95-108. W. van Hoeve BV, Den Haag/Baarn

(7) Harper, J. L. & W. A. Wood. 1957. Senecio jacobaea L. The Journal of Ecology 45: 617-637

(8) Poole, A. L. & D. Cairns. 1940. Botanical aspects of Ragwort (Senecio jacobaea L.) control. Department

of Scientific and Industrial Research Bulletin 82: 2-61.

(9) Weeda E.J., R. Westra, CH. Westra & T. Westra. 1987. De Nederlandse oecologisch flora wilde planten en hun relaties

Het begrip verstoorde grond en de relatie met Jakobskruiskruid.

Door Esther Hegt en Hans Kruijer (Nationaal Herbarium Nederland, Leiden) 2006

Een plant die in zijn natuurlijke omgeving groeit heeft te maken met een groot aantal biotische en abiotische factoren. Biotische factoren hebben te maken met levende organismen, zoals bacteriën, schimmels, dieren, en andere planten in de naaste omgeving. Abiotische factoren zijn gerelateerd aan de niet-levende natuur, zoals klimaat, weer, waterkwaliteit, en bodem.

Voor een bos is het heel normaal dat er eens in de, zeg, twintig tot dertig jaar een zo zware storm komt dat er bomen sneuvelen. Dat hoort er bij en draagt bij aan de natuurlijke verjonging van het bos. Voor het bos, zeker als dat een groot en oud bos is, hoef je dat niet als een verstoring te beschouwen. Voor de omgewaaide bomen wel, en voor die bomen is het een vrij desastreuze verstoring. Voor de enkele boom die op de vlakte is blijven staan is het ook een verstoring, omdat zijn buren er niet meer zijn en hij veel meer licht vangt. Voor kruiden als Vingerhoedskruid en Adelaarsvaren bijvoorbeeld is het ook een verstoring, die een uitgelezen kans biedt om massaal op zo’n stormvlakte te gaan groeien.

Jakobskruiskruid heeft een open gewoeld plekje nodig om te kunnen ontkiemen. Een gaatje door een worm gemaakt kun je niet echt zien als een verstoring van de bodem, een wormhoopje is te klein. Daarentegen is een molshoop weer wel een welkome verstoring voor Jakobskruiskruid. Vanuit het perspectief van Jakobskruiskruid zijn mensen en eigenlijk grote mollen, die grote verstoringen in een vegetatie kunnen aanbrengen (ploegen, verplaatsen van grond bij aanleg van woonwijken en wegen), maar dat ook indirect kunnen bewerkstelligen door (te veel) vee in weilanden en natuurgebieden te laten grazen. Als je een weiland als één geheel systeem bekijkt, dus op grotere schaal, zijn molshopen geen verstoring, ( van echte mollen) omdat mollen tot de weidebodemfauna behoren en ook wezenlijk zijn voor de bodemvorming, net als wormen, maar voor Jakobskruiskruid zijn de molshopen wel ideaal om te kunnen kiemen.

Jakobskruiskruid is inheems in Nederland, maar tot voor enkele decennia zeldzaam in sommige delen van Nederland (zoals Drenthe en aangrenzend Groningen). Daar is de soort uitgezaaid en maakt de soort dankbaar gebruik van de vele recente verstoringen die de mens daar aanricht.

Of Jakobskruiskruid het liefst op schrale grond groeit valt te betwijfelen. Drenthe was heel erg schraal en daar kwam de soort tot voor kort weinig voor. Het bevestigt wel weer dat mensenwerk de natuur verstoort en Jakobskruiskruid ook op rijkere gronden kan groeien, mits de vegetatie maar voldoende open is en de bodem voldoende verstoord en omgewoeld. Ook hier kunnen weer meer factoren meespelen, planten houden zich niet aan de regeltjes zoals die wij mensen voor hen bedenken. Als er in een flora staat dat de plant meestal op schrale grond groeit, dan wil dat niet zeggen dat de plant nooit op een voedselrijke grond zal groeien. Het voorkomen van een plant in een bepaalde omgeving wordt door heel veel biotische en abiotische factoren bepaald. Het kan zijn dat 1 (of meerdere) van deze factoren niet optimaal voor de plant is (bijvoorbeeld een bodem die wat voedselrijker is dan Jakobskruiskruid dat ideaal zou willen hebben), maar dat dit gecompenseerd wordt door andere factoren die wel optimaal zijn (bijv. een bodem die verstoord is).